Ruim baan voor de AOW-gerechtigde werknemer

Op dinsdag 29 september 2015 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel werken na de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarmee wordt het in dienst nemen of houden van een AOW’er voor u makkelijker en aantrekkelijker. Zo gaan per 1 januari 2016 onder meer de volgende regels gelden:

  • De opzegtermijn bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met de AOW-gerechtigde werknemer is beperkt tot één maand. Voor andere werknemers geldt afhankelijk van de duur van het dienstverband een opzegtermijn van één tot vier maanden.
  • Bij ziekte geldt een loondoorbetalingsplicht van dertien weken in plaats van maximaal twee jaar. Mogelijk gaat deze loondoorbetalingsplicht bij ziekte van de AOW-gerechtigde werknemer in de toekomst verder terug naar zes weken.
  • Er gelden voor u minder re-integratieverplichtingen bij ziekte van de doorwerkende AOW’er.
  • Het aantal tijdelijke contracten met een AOW-gerechtigde werknemer wordt verruimd. Bij cao kan worden bepaald dat na maximaal zes contracten of na maximaal 48 maanden een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat.
  • U hoeft niet in te gaan op een verzoek van de AOW-gerechtigde werknemer voor uitbreiding (of vermindering) van zijn aantal te werken uren.

Er zijn ook nieuwe verplichtingen. Zo heeft de doorwerkende AOW’er recht op minimaal het minimumloon of een hoger loon als dit bij cao is bepaald. Bij reorganisatie bent u verplicht eerst uw AOW-gerechtigde werknemer te ontslaan. Dit gold al in de private sector, maar gaat nu ook gelden in de publieke sector.

Meer kredietkansen voor het mkb

Aan het bedrijfsleningenfonds is al 500 miljoen toegezegd door pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en het Europees Investeringsfonds. De bank legt bij financiering minimaal hetzelfde bedrag in waarmee het beschikbare bedrag is verdubbeld.

Ook zijn er op de top nieuwe kredietmogelijkheden voor het mkb gelanceerd. Zo kondigde minister Kamp aan dat het kabinet en de Europese Investeringsbank (EIB) gezamenlijk 45 miljoen beschikbaar stellen voor een co-investeringsfonds, waarbij ‘business angels’ iedere euro uit het fonds matchen met een euro voor eigen rekening en risico.

Wilt u snel kunnen zien of uw bedrijf voor deze of andere financieringsmogelijkheden in aanmerking komt? Kijk dan op de www.nationalefinancieringswijzer.nl (ook via een app te raadplegen).

Verhoging transitievergoeding per 2016

Het maximale bedrag dat u verschuldigd bent wanneer u een werknemer na twee jaar ontslaat, gaat omhoog per 1 januari 2016 van € 75.000 naar € 76.000. De verhoging is bekendgemaakt op dinsdag 29 september 2015.

Transitievergoeding

Per 1 juli 2015 heeft de ontslagvergoeding plaatsgemaakt voor de transitievergoeding. Als werkgever bent u deze vergoeding verschuldigd wanneer een tijdelijke of vaste werknemer ten minste twee jaar bij u in dienst is geweest en zijn arbeidscontract op uw initiatief is beëindigd. De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van het aantal jaren dat de werknemer in dienst is geweest en het maandsalaris. De vergoeding bedraagt maximaal € 75.000 bruto, of een jaarsalaris als dat hoger is. Het maximale bedrag van € 75.000 gaat per 1 januari 2016 omhoog naar € 76.000.

Latere en lagere uitbetaling premiekortingen

Vanaf 2018 worden premiekortingen voor het in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden en mensen met een arbeidsbeperking pas na afloop van het jaar uitbetaald. Daarnaast gaat bedrag van de premiekortingen omlaag. Dit staat in het wetsvoorstel ‘Wet tegemoetkoming loondomein’ dat op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer is aangeboden.

Omvorming premiekorting naar loonkostenvoordelen

De bestaande premiekortingen voor het in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden en mensen met een arbeidsbeperking worden met ingang van 1 januari 2018 omgevormd tot loonkostenvoordelen (LKV’s). Er komen vier soorten LKV’s:

  • LKV oudere werknemer
  • LKV arbeidsgehandicapte werknemer
  • LKV doelgroep banenafspraak
  • LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer

De voorwaarden om in aanmerking te komen voor een LKV blijven nagenoeg gelijk aan de voorwaarden voor de bestaande premiekortingen. Zo moet de werknemer over een doelgroepverklaring beschikken en mag hij/zij de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. Voor de oudere werknemer moet de werknemer bovendien op het moment van aanvang van de dienstbetrekking 56 jaar of ouder zijn en voor de overige LKV’s moet het gaan om een werknemer met een arbeidsbeperking.

Tip: De beoogde ingangsdatum van de LKV’s is 1 januari 2018. Tot die tijd zullen de bestaande premiekortingen van toepassing blijven. Op 1 januari 2018 lopende premiekortingen zullen worden omgezet in een LKV voor de dan nog resterende periode.

Hoogte loonkostenvoordeel (LKV)

Het LKV wordt vormgegeven als een vast bedrag per gemiddeld verloond uur. Hierbij geldt wel een jaarmaximum. Net als bij de bestaande premiekortingen bestaat maximaal drie jaar recht op een LKV.

Hoogte loon   Vast bedrag per verloond uur  Maximale hoogte LKV
LKV oudere werknemer € 3,05 per uur € 6.000 per jaar
LKV arbeidsgehandicapte werknemer € 3,05 per uur € 6.000 per jaar
LKV doelgroep banenafspraak € 1,01 per uur € 2.000 per jaar
LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer € 3,05 per uur € 6.000 per jaar

Let op! De bestaande premiekorting bedragen nu nog € 7000 per jaar. Vanaf 2018 gaat het voordeel voor de werkgever daarom omlaag.

Uitbetaling na afloop van het jaar

De premiekortingen worden op dit moment nog verwerkt in de loonaangifte en dus maandelijks aan de werkgever vergoed. De LKV’s worden straks echter pas na afloop van het jaar door de Belastingdienst uitbetaald. Peildatum hierbij is 1 mei van het volgende jaar. Op die datum moeten de gegevens dus correct verwerkt zijn. Uitbetaling vindt vervolgens plaats voor 1 augustus.

Let op! Het wetsvoorstel moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. Dit betekent dat er nog wijzigingen kunnen worden aangebracht of dat het voorstel uiteindelijk geen doorgang vindt.

Personeelslening eigen woning gewijzigd

Met ingang van 1 januari 2016 wordt het rentevoordeel van de personeelslening voor de eigen woning fiscaal anders behandeld. Er ligt een voorstel om per die datum de nihilwaardering hiervoor af te schaffen. Hoe deze nieuwe behandeling van de personeelslening eigen woning in de praktijk uitwerkt, is recent verduidelijkt.

Let op!De Tweede Kamer is akkoord gegaan met de voorgestelde afschaffing van de nihilwaardering voor het rentevoordeel op een personeelslening voor de eigen woning. De Eerste Kamer moet hier nog mee instemmen.

Nieuwe fiscale behandeling

Vanaf 2016 worden werknemers met een rentekorting op een personeelslening voor de eigen woning en werknemers zonder rentekorting fiscaal gelijk behandeld. Er geldt dan geen nihilwaardering meer voor het rentevoordeel op dergelijke personeelsleningen. Werkgevers mogen het eigenwoningrentevoordeel ook niet als eindheffingsbestanddeel aanwijzen.

In plaats daarvan wordt het rentevoordeel tot het belastbare loon van de werknemer gerekend. De werknemer ontvangt van de werkgever het rentevoordeel als ‘loon in natura’. De werkgever moet hierover loonheffingen berekenen. Het belaste rentevoordeel kan de werknemer vervolgens in aftrek brengen binnen de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting.

Loonkostenvoordeel voor werkgever vanaf 2017

Werkgevers die werknemers in dienst hebben met een loon tussen de 100% en 120% van het wettelijk minimumloon hebben vanaf 2017 een loonkostenvoordeel. Dit voordeel kan oplopen tot € 1,01 per verloond uur. Dit staat in het wetsvoorstel ‘Wet tegemoetkoming loondomein’, dat op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer is aangeboden.

Lage-inkomensvoordeel (LIV)

Het loonkostenvoordeel wordt lage-inkomensvoordeel (LIV) genoemd. Het LIV wordt vormgegeven als een vast bedrag per gemiddeld verloond uur. Hierbij geldt wel een jaarmaximum.

Hoogte loon  100% tot 110% van het wettelijk minimumloon   110% tot 120% van het wettelijk minimumloon
Bedrag gemiddeld verloond uur   € 1,01 per uur  € 0,51 per uur
Maximale hoogte LIV per jaar  € 2.000 per jaar  € 1.000 per jaar

Voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor het LIV moet de werknemer:

  • een loon verdienen van minimaal 100% en maximaal 120% van het wettelijk minimumloon dat geldt voor een 23-jarige of ouder;
  • minimaal 1248 verloonde uren per jaar bij de werkgever hebben, en;
  • de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt.

Tip: Voor een werknemer die jonger is dan 23 kan de werkgever ook recht hebben op het LIV als deze werknemer minimaal 100% en maximaal 120% van het wettelijke minimumloon dat geldt voor een 23 jarige verdient.

Automatische uitbetaling

De werkgever hoeft volgens het wetsvoorstel geen apart verzoek tot toekenning van het LIV te doen. Het UWV haalt de gegevens hiervoor uit de ingediende loonaangiften. Peildatum daarbij is 1 mei van het volgende jaar. Op die datum moeten de gegevens dus correct verwerkt zijn.

Heeft u in 2017 recht op het LIV, zorg dan dat voor 1 mei 2018 de loonaangiften bij de Belastingdienst juist verwerkt zijn. Het UWV zorgt dan voor een berekening van het LIV, waarna de Belastingdienst de tegemoetkoming voor 1 augustus 2018 aan u uitbetaalt.

Let op! Het wetsvoorstel moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. Dit betekent dat er nog wijzigingen kunnen worden aangebracht of dat het voorstel uiteindelijk geen doorgang vindt.

Minimale termijn voor WGA-overstap drie jaar

Ongewenste route

Werkgevers die eigenrisicodrager voor de WGA zijn, kunnen per 1 januari 2016 voor één jaar overstappen naar UWV en zo profiteren van een lage minimumpremie, om vervolgens vanaf 1 januari 2017 weer over te stappen naar een private verzekeraar. Het op die manier snel behalen van financieel voordeel is wat minister Asscher betreft ongewenst. Hij kondigt dan ook een maatregel aan waarmee hij de route voor éénjarig WGA-voordeel gaat afsluiten.

Minimale terugkeerperiode

Om die route voor éénjarig financieel voordeel af te sluiten gaat een minimale terugkeerperiode naar het UWV van drie jaar gelden. Werkgevers die per 1 januari 2016 instromen bij het UWV, kunnen dus pas per 1 januari 2019 opnieuw eigenrisicodrager worden.

Afkoop lijfrente minder zwaar belast

Het tussentijds afkopen van een lijfrente is fiscaal niet toegestaan. Over de afkoopsom moet u belasting betalen en mogelijk ook revisierente. Voortaan is de sanctie iets minder zwaar, want de minimumwaarderingsregel is afgeschaft.

Afkoop

Lijfrentepremies ter compensatie van een pensioentekort zijn onder voorwaarden en binnen bepaalde grenzen aftrekbaar in box 1. De latere lijfrente-uitkeringen zijn dan in box 1 belast. Besluit u de lijfrente echter tussentijds af te kopen, dan vindt belastingheffing in één keer plaats over de afkoopsom. Deze afkoopsom is de waarde in het economisch verkeer van de lijfrenteaanspraak op het moment van afkoop, maar bedraagt minimaal het totaal van de eerder voor de aanspraak betaalde premies en andere bedragen. Deze minimumwaarderingsregel kan in de praktijk vervelend uitpakken.

Voorbeeld:

Stel u heeft aan lijfrentepremies € 9000 betaald en deze premies in aftrek gebracht in box 1 van de inkomstenbelasting. U besluit de lijfrente tussentijds af te kopen. De waarde in het economisch verkeer is op dat moment € 12000. Belasting wordt dan geheven over dit bedrag. Is de waarde in het economisch verkeer echter € 7000 dan vindt door de minimumwaarderingsregel belastingheffing over € 9000 plaats, oftewel het totale bedrag dat u aan lijfrentepremies heeft betaald.

Minimumwaarderingsregel

Die minimumwaarderingsregel kan dus behoorlijk ongunstig uitpakken als de waarde in het economisch verkeer van de lijfrenteaanspraak lager is dan het totaal aan betaalde premies. Het kan zelfs zo zijn dat de afkoopsom die u ontvangt lager is dan het bedrag dat u aan belasting kwijt bent. Dit is niet de bedoeling. Daarom is de minimumwaarderingsregel nu afgeschaft. Voortaan geldt voor de afkoopsom de waarde in het economisch verkeer. Over dat bedrag bent u belasting en eventueel revisierente verschuldigd.

Let op! De afschaffing van de minimumwaarderingsregel bij tussentijdse afkoop van lijfrente is voorlopig geregeld in een besluit. De afschaffing is ook meegenomen in de op Prinsjesdag gepresenteerde belastingplannen voor 2016. Voor afkopen gedaan vóór 1 januari 2016 kan op verzoek een tegemoetkoming worden verleend, als de vijfjaarstermijn voor ambtshalve vermindering nog niet is verlopen.

Tip: Heeft u in 2010 of later uw lijfrente afgekocht? Dan kunt u nu ook profiteren van de afschaffing van de minimumwaarderingsregel. Voor het jaar 2010 moet u wel enige vaart maken: dit kan nog tot het einde van 2015.

Emigrerende aanmerkelijkbelanghouder slechter af

In de op Prinsjesdag gepresenteerde Belastingplannen repareert het kabinet een ‘lek’ zodat de emigrerende aanmerkelijkbelanghouder nog minder mogelijkheden heeft om belastingheffing te ontlopen. Er gelden per direct nieuwe regels, maar alleen voor wie op of na Prinsjesdag is geëmigreerd!

Conserverende aanslag

Heeft u een aanmerkelijk belang in een bv en verhuist u naar het buitenland, dan legt de Belastingdienst een conserverende aanslag op, voor  de waardeaangroei van uw aanmerkelijk belang tot het moment van emigratie. Op die manier houdt de Belastingdienst een claim op de aanmerkelijkbelangwinst

De conserverende aanslag hoeft pas te worden betaald bij vervreemding (verkoop) van de aandelen en bij een winstuitdeling van 90% of meer. Is dat niet aan de orde dan wordt de conserverende aanslag na tien jaar op verzoek kwijtgescholden. Om belastingheffing te voorkomen, werden echter veel dividenduitkeringen gedaan tot net onder de 90% grens. Ook werden precies na tien jaar de aandelen verkocht.

Aangescherpte regels

Het kabinet steekt hier nu met de twee volgende maatregelen een stokje voor:

  1. winstuitdelingen na emigratie leiden in alle gevallen tot belastingheffing of intrekking (naar rato) van het betalingsuitstel voor de conserverende aanslag. Of dit meer of minder dan 90% is, maakt niet meer uit.
  2. de conserverende aanslag wordt niet meer kwijtgescholden na tien jaar. Als de aandelen pas na 25 jaren worden verkocht, wordt de conserverende aanslag toch geïnd.

Let op!Ook als minder dan 90% van de in Nederland opgebouwde winst wordt uitgekeerd, krijgt de geëmigreerde aanmerkelijkbelanghouder te maken met belastingheffing.

Anticipatiegedrag

De maatregelen zijn onderdeel van de Belastingplannen voor 2016. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met deze plannen. Zodra dat is gebeurd werken de nieuwe regels voor de emigrerende aanmerkelijkbelanghouder terug tot en met 15 september 2015, 15.15 uur. Die terugwerkende kracht is bedoeld om te voorkomen dat aanmerkelijkbelanghouders nog snel emigreren om de nieuwe regels voor te zijn.

Let op! Woont u als aanmerkelijkbelanghouder al in het buitenland, dan blijven de oude regels gelden.

Terechte schadeclaim voor te weinig uitbetaalde vakantiedagen

Meer dan duizend schadeclaims worden nu in behandeling genomen, van langdurig zieke werknemers over te weinig uitbetaalde vakantiedagen na ontslag. Dit is het gevolg van een definitieve uitspraak van de Hoge Raad op 18 september 2015. De Staat is aansprakelijk gesteld voor de schade die werknemers hebben geleden.

Vakantiedagen

Vóór 1 januari 2012 gold de regel dat een zieke werknemer alleen vakantiedagen opbouwde gedurende de laatste zes maanden van de ziekte. Werd deze werknemer na langdurige ziekte ontslagen, dan kreeg hij alleen deze vakantiedagen uitbetaald. In 2009 oordeelde het Europese Hof van Justitie dat deze beperkte opbouw van vakantiedagen bij ziekte niet mag. Daarom gelden per 1 januari 2012 andere regels: werknemers die ziek zijn bouwen voortaan ook volledig hun vakantiedagen op.

De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat de Staat aansprakelijk is. Ongeveer 1300 schadeclaims van langdurig zieke werknemers die na hun ontslag door de regels van vóór 1 januari 2012 te weinig vakantiedagen uitbetaald hebben gekregen, worden nu in behandeling genomen.

Let op! Tijdens ziekte bouwt uw werknemer evenveel wettelijke vakantiedagen op als in een periode waarin hij niet ziek is. Dit geldt sinds 1 januari 2012. Er kunnen andere afspraken gelden voor bovenwettelijke vakantie-uren.