Dubbele rekening voor de oldtimereigenaar

Bent u in het bezit van een oldtimer en kunt u gebruikmaken van de overgangsregeling maar heeft u daar bewust vanaf gezien, dan heeft u mogelijk twee keer een rekening motorrijtuigenbelasting ontvangen over een deel van het eerste tijdvak in 2016. De Belastingdienst heeft per abuis in een aantal gevallen een dubbele rekening verstuurd.

Het gaat om oldtimereigenaren die in november 2015 van de Belastingdienst een rekening motorrijtuigenbelasting hebben ontvangen voor de overgangsregeling en deze niet hebben betaald omdat zij niet (meer) willen deelnemen aan deze regeling. Deze oldtimereigenaren hebben in de loop van januari 2016 een rekening ontvangen naar het normale tarief voor de motorrijtuigenbelasting. Die rekening heeft de Belastingdienst in een aantal gevallen dubbel verstuurd.

Let op! Heeft u voor uw oldtimer een dubbele rekening motorrijtuigenbelasting ontvangen over een deel van het eerste tijdvak van 2016, dan ontvangt u binnenkort van de Belastingdienst een excuusbrief met meer informatie.

The post Dubbele rekening voor de oldtimereigenaar appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Advieswijzer Werkkostenregeling: soepel naar de uitgang van het WKR-doolhof

De regels op een rij

Uitgangspunt in de WKR is dat alles wat u aan uw werknemer verstrekt, vergoedt of ter beschikking stelt, loon is. Er zijn echter uitzonderingen. Zo vormen vrijgestelde aanspraken, zoals pensioenaanspraken en vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen (bijvoorbeeld een eenmalige uitkering bij overlijden), geen loon. Datzelfde geldt voor intermediaire kosten. U vergoedt dan de kosten die uw werknemer voorschiet voor zaken die:

  • tot het vermogen van uw bedrijf horen (uw werknemer tankt bijvoorbeeld met de auto van de zaak en schiet de benzinekosten voor),
  • specifiek samenhangen met de bedrijfsvoering (uw werknemer koopt bijvoorbeeld een fles wijn voor een klant en u vergoedt deze kosten).

Ook verstrekkingen waarvoor uw werknemer een eigen bijdrage van ten minste de (factuur)waarde betaalt, zijn niet belast. Hetzelfde geldt voor producten uit uw eigen bedrijf, mits uw werknemer hiervoor de consumentenprijs betaalt.

Binnen de WKR mag u maximaal 1,2% van het totale fiscale loon (kolom 14 van de loonstaat) besteden aan onbelaste vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor uw werknemers. Dit wordt de ‘vrije ruimte’ genoemd. U betaalt geen loonbelasting over het bedrag aan vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen dat binnen de vrije ruimte valt. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u wel loonbelasting in de vorm van een eindheffing van 80%. Dit is een werkgeverslast. U hoeft hierover geen premies volks- en werknemersverzekeringen te betalen en evenmin een werkgeversheffing Zvw of een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.

Keuzemogelijkheid

Wilt u de last van 80% eindheffing niet dragen, dan heeft u de mogelijkheid – mits de arbeidsvoorwaarden dit toestaan – om vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet aan te wijzen in de vrije ruimte. Deze worden dan regulier verloond bij uw werknemers als werknemersloon. U moet deze keuze wel maken voordat u een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling toekent aan uw werknemer en u kunt niet meer op uw keuze terugkomen, behalve als er echt sprake is van een fout.

Tip:De Belastingdienst gaat er gedurende het kalenderjaar vanuit dat u een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling heeft aangewezen in de vrije ruimte als u deze niet regulier verloont bij uw werknemers. Deze aanname blijft na afloop van het kalenderjaar in stand als de aanwijzing ook in uw administratie als zodanig is verwerkt. Deze verwerking is vormvrij en kan plaatsvinden in de financiële administratie maar ook bijvoorbeeld in een apart Excelbestand.

De keuze kan ook gedeeltelijk gemaakt worden. Als u uw werknemer een km-vergoeding van € 0,29 geeft, kunt u onbelast maar € 0,19 p/km geven. U geeft dan dus € 0,10 p/km te veel. Hiervan kunt u bijvoorbeeld € 0,05 p/km aanwijzen in de vrije ruimte, de andere € 0,05 p/km wordt dan tot het werknemersloon gerekend. Sommige onderdelen zijn verplicht werknemersloon. Die kunt u dus niet aanwijzen in de vrije ruimte. Zo horen de auto van de zaak, de dienstwoning en boetes altijd tot het loon van de werknemer.

Let op! Door bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet aan te wijzen in de vrije ruimte vormen deze werknemersloon. Het  loon wordt dan hoger en dat heeft tot gevolg dat u mogelijk meer premies werknemersverzekeringen, meer pensioenpremie en meer vakantiegeld moet betalen.

Gebruikelijkheidstoets

De gebruikelijkheidstoets legt een beperking op aan de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die u onder kunt brengen in de vrije ruimte. Dit is een lastig criterium dat inhoudt dat uw vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet in de vrije ruimte kunnen worden ondergebracht als deze voor meer dan 30% afwijken van hetgeen normaal vergoed of verstrekt wordt.

Vanaf 2016 is deze toets aangescherpt. Niet alleen de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling zelf moet vanaf 2016 gebruikelijk zijn, maar het moet ook gebruikelijk zijn dat uw werknemer deze belastingvrij van u krijgt en dat u de belasting via eindheffing voor uw rekening neemt. Zo is het bijvoorbeeld niet gebruikelijk om de belasting over het maandloon van uw werknemers voor uw rekening te nemen.

Tip: In het Handboek Loonheffingen is opgenomen dat vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen van maximaal € 2.400 per werknemer per jaar door de Belastingdienst in ieder geval als gebruikelijk worden beschouwd. De aanscherping van het gebruikelijkheidscriterium brengt hierin geen verandering.

Niet alles valt in de vrije ruimte: gerichte vrijstellingen

Bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen vormen wel loon, maar kunnen toch onbelast gegeven worden, zonder dat dit ten koste gaat van de vrije ruimte. Deze vrijstellingen heten gerichte vrijstellingen. Dit zijn bijvoorbeeld vergoedingen en verstrekkingen voor de werkelijke kosten van openbaar vervoer en reiskosten eigen vervoer (maximaal € 0,19 p/km). Ook maaltijden bij overwerk, koopavonden of dienstreizen en personeelskortingen tot 20% (met een maximum van € 500 per werknemer per jaar) vallen onder de gerichte vrijstellingen.

Tip: Een gerichte vrijstelling betekent dat zowel een vergoeding, als een verstrekking als een terbeschikkingstelling onbelast kan. Is sprake van een nihilwaardering dan is het niet mogelijk om een vergoeding onbelast te geven.

Nihilwaardering voor werkplekvoorzieningen

Voor een aantal faciliteiten die voornamelijk worden gebruikt op de werkplek, zoals werkkleding en consumpties op de werkplek, geldt een nihilwaardering.

Let op! De ‘werkplek’ is de plaats waar de werknemer arbeid verricht en waarop voor de werkgever de Arbowetgeving van toepassing is. De werkplek thuis is uitgezonderd.

Noodzakelijkheidscriterium

Voor gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur geldt onder het noodzakelijkheidscriterium een gerichte vrijstelling. Met het noodzakelijkheidscriterium is een vergoeding, verstrekking of ter beschikkingstelling gericht vrijgesteld als deze noodzakelijk is voor het werk.

Tip: Onder het noodzakelijkheidscriterium kunt u een mobiele telefoon, computer of tablet onbelast vergoeden als uw werknemer deze zaken nodig heeft om zijn werk te doen. U hoeft dan ook geen rekening meer te houden met een privévoordeel van de werknemer.

Gerichte vrijstelling voor werkplekgerelateerde voorzieningen

Ook voor geheel of gedeeltelijk op de werkplek te gebruiken arbovoorzieningen en hulpmiddelen geldt een gerichte vrijstelling.

Let op! Voor hulpmiddelen geldt als extra eis dat deze voor minimaal 90% zakelijk worden gebruikt.

Normbedragen

Er zijn een aantal normbedragen voor loon in natura. U kunt hierbij denken aan huisvesting ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking (2016: € 5,45 per dag), maaltijden op de werkplek (2016: € 3,25) en kinderopvang op de werkplek (uurtarieven volgens de Wet kinderopvang).

Concernregeling

De WKR geldt per werkgever. Dit is anders als de concernregeling kan worden toegepast. Deze regeling maakt het mogelijk om de vrije ruimtes binnen één concern samen te voegen. De concernregeling kan worden toegepast als de moedermaatschappij voor minimaal 95% eigenaar is van de dochtermaatschappij(en).

Vaste kostenvergoeding

Ook onder de WKR is een vaste kostenvergoeding mogelijk. U moet dan wel een onderscheid maken tussen gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten en overige posten. Vergoedingen van overige posten zijn loon. U mag deze onderbrengen als eindheffingsloon in de vrije ruimte. Voor gerichte vrijstellingen en intermediaire kosten mag u alleen een onbelaste vaste kostenvergoeding geven als u de vergoeding onderbouwt met een onderzoek vooraf naar de werkelijk gemaakte kosten en u dit onderzoek herhaalt als de Belastingdienst daarom vraagt.

Jaarlijkse afrekening 

Bij overschrijding van de vrije ruimte (1,2% van de totale fiscale loonsom) vindt een eindheffing plaats van 80%. Deze eindheffing moet voor het jaar 2015 worden afgedragen bij de aangifte januari 2016, welke uiterlijk eind februari 2016 moet worden ingediend en afgedragen.

Let op! Als de inhoudingsplicht eindigt, mag niet gewacht worden met afrekenen tot de aangifte van januari, maar moet worden afgerekend in de aangifte over het tijdvak waarin de inhoudingsplicht is geëindigd.

Het totale bedrag aan vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen moet uit uw administratie te halen zijn. Bedenk daarbij dat verstrekkingen en terbeschikkingstellingen gewaardeerd worden op de inkoopfactuur (inclusief btw). Vaak zal uw administratie exclusief btw geboekt worden. Vergeet dan niet de btw voor de waardering van de verstrekkingen of terbeschikkingstellingen nog bij te boeken.

Tip: Over het toevoegen van de btw kunt u in het kader van de WKR met de Belastingdienst de afspraak maken dat u een gemiddelde btw-druk over de verschillende posten in de vrije ruimte in aanmerking neemt.

Stel nu dat u geen factuur heeft? In dat geval moet u uitgaan van de waarde in het economische verkeer. Verstrekt u producten uit uw eigen bedrijf aan uw werknemer, dan moet u uitgaan van de consumentenprijs.

Het totale bedrag in uw administratie aan vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen die u heeft aangewezen in de vrije ruimte moet u koppelen aan het fiscale loon (kolom 14 van de loonstaat) in uw loonadministratie. Op die manier kunt u, maar ook de Belastingdienst, toetsen of u binnen de vrije ruimte blijft.

Tot slot

De WKR is voor de meeste werkgevers nu een jaar actueel. Konden veel werkgevers begin 2015 de uitgang van het doolhof nog niet vinden, hopelijk is dat een jaar later een stuk beter. In februari 2016 is het eerste afrekenmoment. Twijfelt u nog over de toepassing van de diverse WKR-regels binnen uw onderneming, neem dan gerust contact met ons op. Wij helpen u graag verder.

The post Advieswijzer Werkkostenregeling: soepel naar de uitgang van het WKR-doolhof appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Update Advieswijzer Auto en fiscus 2016

Reed u de afgelopen jaren in een milieuvriendelijke auto dan heeft u kunnen genieten van een groot aantal fiscale voordelen. Hoewel steeds beperkter, kunt u ook in 2016 nog gebruikmaken van een aantal fiscale voordelen.

Bijtelling privégebruik auto

Voor de meeste auto’s van de zaak waar ook privé mee wordt gereden, geldt een standaardbijtelling van 25% van de cataloguswaarde (inclusief btw en BPM). Voor zuinige auto’s gelden echter lagere bijtellingspercentages. Daarbij geldt dat hoe zuiniger de auto is (hoe minder CO2-uitstoot), des te lager de bijtelling wordt. Ook in 2016 zijn de CO2-grenzen weer verder aangescherpt. In 2017 worden weer wijzigingen verwacht.

De wijzigingen in de autobelastingen voor de periode 2017 tot en met 2020 zijn opgenomen in een wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel is op 12 april 2016 aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer heeft nog niet ingestemd met het wetsvoorstel.

Het aanscherpen van de CO2-grenzen heeft niet tot gevolg dat u elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage wordt geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft gedurende 60 maanden geldig. Pas na deze periode wordt het percentage opnieuw vastgesteld.

Let op! Op dit moment geldt na de periode van 60 maanden weer een nieuwe periode van 60 maanden tegen het nieuw vastgestelde bijtellingspercentage. In het wetsvoorstel is opgenomen om vanaf 2017 nog maar 1 keer termijn van 60 maanden toe te passen. Daarna zal de bijtelling aan de hand van de dan geldende percentages worden vastgesteld.

Tip: Voor ondernemers in de inkomstenbelasting blijft de bijtelling beperkt tot maximaal het bedrag dat in een jaar aan autokosten ten laste van de winst is gebracht. Bereken daarom wat voor u het voordeligst is!

Wordt de auto in 2016 voor het eerst op kenteken gezet, dan gelden de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:

Soort auto  Bijtelling  CO2-uitstoot alle brandstofsoorten
Nulemissie  4%  0
Vrijwel nulemissie  15%  1 t/m 50
Zuinig  21%  51/m 106
Overig  25%  Vanaf 107

Uit het wetsvoorstel komt naar voren dat de plannen zijn om vanaf 2017 de standaardbijtelling vast te stellen op 22%. Voor auto’s zonder CO2-uitstoot is dan een bijtelling van 4% gepland.

Voor een nieuwe auto gelden in 2017 en 2018, als het wetsvoorstel wordt aangenomen, de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:

Soort auto  Bijtelling  CO2-uitstoot alle brandstofsoorten
Nulemissie  4%  0
Overig  22%  Meer dan 0

Tip: Het is minder aantrekkelijk om in 2016 een nieuwe auto van de zaak aan te schaffen met een CO2-uitstoot vanaf 107 gr/km. Bij aanschaf van een dergelijke auto in 2016, krijgt u te maken met een bijtelling van 25%.

De plannen vanaf 2019 zijn om de standaardbijtelling op 22% te handhaven. Voor auto’s zonder CO2-uitstoot bedraagt de bijtelling vanaf 2019 4% tot een catalogusprijs van € 50.000 en 22% voor zover de catalogusprijs hoger is. Voor waterstofpersonenauto’s geldt volgens de plannen een bijtelling van 4% ongeacht de catalogusprijs van de auto.

Let op! Als de nieuwe plannen doorgaan geldt ook voor op 31 december 2016 bestaande auto’s nog maar een termijn van 60 maanden voor toepassing van het eerste bijtellingspercentage. Daarna vallen deze auto’s allemaal terug naar een bijtelling van 25%. Dit betekent bijvoorbeeld dat een auto uit 2012 met een bijtelling van 0% na 60 maanden (dat wil dus zeggen ergens in 2017) een bijtelling krijgt van 25%.  Hierop geldt één uitzondering: voor auto’s van voor 1 juli 2012 blijft het onbeperkte overgangsrecht dat geldt voor de bijtelling van 20% en 14% van kracht tot 1 januari 2019 (en wordt dus niet beperkt tot 1 maal 60 maanden). Voorwaarde is dat gedurende de gehele periode de auto aan dezelfde automobilist voor privégebruik ter beschikking staat en heeft gestaan.

Een bijtelling kan overigens helemaal achterwege blijven indien u kunt aantonen dat u op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto heeft gereden. Woon-werkkilometers worden daarbij gezien als zakelijk, ook als u thuis gaat lunchen.

Let op! Is uw auto ouder dan 15 jaar? Dan bedraagt de standaardbijtelling niet 25% van de cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer! Bij een lage CO2-uitstoot van de auto kan dit percentage mogelijk verlaagd worden. Uw auto moet dan voldoen aan de CO2-uitstoot zoals die ook geldt voor auto’s jonger dan 15 jaar. 

Milieu-investeringsaftrek

Ook vanaf 2016 zijn de fiscale investeringsvoordelen weer verder ingeperkt. Er bestaat tevens in 2016 geen recht  op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Voor de waterstofpersonenauto is echter wel weer recht op 75% willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (VAMIL) over een bedrag van maximaal € 50.000. In 2016 geldt de milieu-investeringsaftrek (MIA) voor de waterstofpersonenauto met een CO2-uitstoot van 0 gr/km, voor de elektrische auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km en voor de plugin-hybride met een CO2-uitstoot van maximaal 30 gr/km (niet zijnde een dieselauto). Hierbij gelden verschillende aftrekpercentages en zijn er maxima gesteld aan de in aanmerking te nemen investeringsbedragen.

Soort auto   MIA%  Maximaal in aanmerking te nemen investeringsbedrag
Waterstofpersonenauto  
 (CO2-uitstoot = 0)
 36%  € 50.000

Elektrische auto
 (CO2-uitstoot = 0)

 36%  € 50.000
 Plug-in hybride 
 (CO2-uitstoot maximaal 30
 27%  € 35.000

Ook voor de oplaadpaal van uw auto geldt in 2016 nog de MIA. Het aftrekpercentage voor de oplaadpaal bedraagt 36%. Daarnaast mag u op deze laadpaal voor 75% willekeurig afschrijven.

Motorrijtuigenbelasting

De hoogte van de motorrijtuigenbelasting (MRB) is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de CO2-uitstoot van uw auto. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km geldt in 2016 een vrijstelling. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 50 gr/km gold in 2015 nog een vrijstelling MRB. Vanaf 2016 betaalt u voor deze auto’s echter een halftarief (dat wil zeggen de helft van het tarief dat voor een gewone personenauto geldt).

BPM

Als uw auto op kenteken wordt gezet, wordt BPM geheven. Deze BPM zorgt er mede voor dat auto’s in Nederland duur zijn.

De hoogte van de BPM is voor personenauto’s gebaseerd op de CO2-uitstoot. In 2016 geldt alleen nog een vrijstelling BPM voor auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Deze vrijstelling geldt ook nog in 2017. Voor personenauto’s waarvoor geen vrijstelling geldt, is de BPM hoger naarmate de CO2-uitstoot groter is.

Let op! Als een auto waarvoor een vrijstelling gold op basis van de CO2-uitstoot dusdanig wordt gewijzigd dat deze niet meer voldoet aan de voorwaarden, wordt alsnog BPM geheven.

Tip: Ondernemers kunnen voor een bestelauto een beroep doen op een vrijstelling BPM. De belangrijkste voorwaarde is dat meer dan 10% van de jaarlijks gereden kilometers zakelijke kilometers zijn.

Tot slot

Het aanschaffen van een energiezuinige auto levert ook in 2016 nog een aantal fiscale voordelen op. Over deze fiscale voordelen in het algemeen heeft u in deze advieswijzer kunnen lezen. Neem voor uw specifieke situatie contact met ons op.

The post Update Advieswijzer Auto en fiscus 2016 appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Advieswijzer Arbeid en arbeidscontracten: ken uw rechten en verplichtingen

1. Denk aan uw aanzegverplichting en voorkom een aanzegvergoeding

Bij tijdelijke contracten van zes maanden of langer moet u uiterlijk een maand voor de overeengekomen einddatum schriftelijk aan de werknemer laten weten of u het contract wel of niet wenst voort te zetten en zo ja, onder welke voorwaarden.

Tip:De aanzegverplichting geldt niet voor contracten met een looptijd korter dan zes maanden en niet bij contracten waarvan het einde niet op een datum is bepaald. Een voorbeeld van een dergelijk contract is een contract voor de looptijd van een project.

Als u de werknemer heeft laten weten dat u het tijdelijke arbeidscontract wilt verlengen, maar u geeft niet aan onder welke voorwaarden, dan krijgt uw werknemer eenzelfde nieuw tijdelijk arbeidscontract onder dezelfde voorwaarden. Het nieuwe arbeidscontract loopt even lang als het voorgaande tijdelijke arbeidscontract, maar niet langer dan een jaar.

Aanzegvergoeding 

Wanneer u niet voldoet aan de aanzegplicht dan heeft de werknemer recht op een brutomaandsalaris. Bent u te laat met aanzeggen dan bent u een vergoeding naar rato verschuldigd. Het tijdelijke arbeidscontract eindigt wel na de overeengekomen einddatum.

In uw loonadministratie moet u de aanzegvergoeding opnemen als loon uit vroegere dienstbetrekking, zelfs als de aanzegvergoeding wordt geclaimd terwijl de arbeidsovereenkomst is voortgezet. Het loonbegrip voor de aanzegvergoeding is het ‘kale’ uur- of stukloon. Overwerk- of ploegentoeslag,  vakantiegeld, eindejaarsuitkering of winstdeling worden hierin niet meegenomen.

Voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding is de laatste maand vóór het einde van de arbeidsovereenkomst bepalend. Telt deze maand 31 dagen en u zegt bijvoorbeeld twee dagen te laat aan, dan bent u een vergoeding verschuldigd van 2/31ste van het loon.

Let op! De aanzegvergoeding vervalt als de werknemer niet hierom verzoekt binnen drie maanden na de dag waarop uw aanzegverplichting is ontstaan. Ook betaalt u geen aanzegvergoeding bij faillissement, surseance van betaling of bij toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

2. Nieuwe ketenbepaling: sneller een vast contract

De ketenbepaling regelt wanneer opeenvolgende tijdelijke arbeidscontracten overgaan in een vast arbeidscontract. U kunt met een werknemer nog maximaal drie tijdelijke contracten in twee jaar afsluiten. Tot 1 juli 2015 was dit nog maximaal drie tijdelijke contracten in drie jaar. Na een tussenliggende periode van meer dan zes maanden is geen sprake meer van opeenvolgende contracten. Dat betekent dat als een tijdelijk contract afloopt en u binnen zes maanden weer een nieuw contract aangaat met dezelfde werknemer, deze tussenliggende periode meetelt voor de tweejaarsperiode. Tot 1 juli 2015 was deze tussenperiode drie maanden.

Samenvattend ontstaat een vast contract:

  • na meer dan drie elkaar opvolgende tijdelijke contracten en;
  • wanneer u langer dan twee jaar gebruik maakt van elkaar opvolgende tijdelijke contracten. Als de tussenperiode zes maanden of korter is, is sprake van opeenvolgende tijdelijke contracten en telt de tussenperiode mee bij de periode van twee jaar.

Bij cao kan onder zeer strikte voorwaarden afgeweken worden van het aantal contracten en van de totale duur. Maximaal zijn echter zes contracten toegestaan in een periode van vier jaar. Er kan niet bij cao worden afgeweken van de tussenperiode van zes maanden. 

Na afloop van het maximaal aantal toegestane tijdelijke contracten bent u verplicht een contract voor onbepaalde tijd aan uw werknemer aan te bieden als u met hem/haar verder wilt.

Tip: Voor werknemers tot 18 jaar met een klein dienstverband (12 uur of minder) is de nieuwe ketenregeling niet van toepassing.

Voor een tijdelijk contract dat al liep op 1 juli 2015 blijft de oude regeling geldig (drie contracten in drie jaar). Heeft u echter op of na 1 juli 2015 een nieuw tijdelijk contract afgesloten binnen zes maanden na afloop van een eerder contract, dan is onverkort de nieuwe ketenregeling van toepassing, ook als het eerder contract van voor 1 juli 2015 was. Is bijvoorbeeld op 1 maart 2015 een tijdelijk contract geëindigd, dan vormt een nieuw tijdelijk contract op 1 augustus 2015 het tweede contract in de keten (en geldt dus de zesmaandsperiode en niet de driemaandsperiode!).

Tip: Soms kan het handig zijn om twee contracten voor een jaar in plaats van drie contracten in maximaal twee jaar tijd af te sluiten. Bij vijf sectoren geldt namelijk een hogere sectorpremie bij contracten met een looptijd korter dan een jaar. Het gaat dan om de volgende vijf sectoren: agrarisch bedrijf, bouwbedrijf, horeca, algemeen culturele instellingen en schildersbedrijf.

Als in een cao die al voor 1 januari 2015 van toepassing was, afwijkende regels staan, gelden deze afwijkende regels tot het moment dat deze cao afloopt. De nieuwe ketenbepaling gaat in ieder geval in vanaf 1 juli 2016, ook als de cao op dat moment nog niet is afgelopen.

3. Verbod proeftijd korte tijdelijke contracten en volgende contracten.

Het is verboden om in tijdelijke arbeidscontracten van zes maanden of korter een proeftijd op te nemen. Ook is het verboden een proeftijd op te nemen in een tweede of volgende contract.

Tip: Een nieuwe proeftijd bij de huidige werkgever is wel toegestaan als een werknemer een nieuwe functie aangeboden krijgt die wezenlijk andere vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist. Het contract moet dan wel langer dan zes maanden duren.

De lengte van een toegestane proeftijd is afhankelijk van de duur van het contract:

Lengte tijdelijk arbeidscontract

Lengte maximale proeftijd

0 tot 6 maanden

Meer dan 6 maanden maar minder dan 2 jaar

1 maand

2 jaar of langer

2 maanden

Let op! Is in een op 1 januari 2015 al bestaande cao wel een proeftijd opgenomen, dan geldt het verbod op de proeftijd niet tot het moment dat deze cao afloopt. Het verbod op de proeftijd geldt echter in ieder geval vanaf 1 juli 2016, ook als de cao op dat moment nog niet is afgelopen.

4. Verbod concurrentiebeding in tijdelijke contracten

Een concurrentie- dan wel relatiebeding is in een tijdelijk contract verboden. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen. Denk hierbij aan specifieke- of bedrijfsinformatie. Als u dit zwaarwegende bedrijfsbelang expliciet motiveert in de arbeidsovereenkomst is een concurrentie- dan wel relatiebeding nog wel toegestaan in een tijdelijk contract. Wil het concurrentiebeding echt effect hebben dan moeten de zwaarwegende bedrijfsbelangen echter zowel bestaan op het moment van aangaan van het beding als op het moment dat u zich wilt beroepen op het beding.

Let op! U kunt als werkgever geen rechten ontlenen aan een concurrentie- of relatiebeding als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van uw kant.

Een concurrentiebeding opgenomen in een tijdelijk arbeidscontract dat schriftelijk is overeengekomen voor 1 januari 2015 blijft wel geldig, ook als het tijdelijk arbeidscontract pas is ingegaan na 1 januari 2015.

5. Loondoorbetalingsverplichting bij oproepkrachten

Werkt u met oproepkrachten, bijvoorbeeld via een nul-urencontract of een min-maxcontract? Dan heeft u in beginsel een loondoorbetalingsverplichting als uw werknemer niet kan werken door een oorzaak die voor uw risico komt. Dit geldt bijvoorbeeld ook als u de werknemer niet oproept terwijl er wel werk is. Daarnaast heeft de werknemer recht op loon over de garantie-uren. Dat wil zeggen dat iedere keer dat u de werknemer oproept, hij recht heeft op minimaal drie uur loon, ook als de werknemer bijvoorbeeld maar één uur werkt. 

In de arbeidsovereenkomst kunt u in de eerste zes maanden schriftelijk uw loondoorbetalingsverplichting uitsluiten. U kunt echter niet het recht op loon over de garantie-uren uitsluiten.

Ná de eerste zes maanden kan de loondoorbetalingsverplichting alleen nog uitgesloten worden in de cao voor functies met werkzaamheden van ‘incidentele aard’ en zonder ‘vaste omvang’. Voorbeelden hiervan zijn de invalkracht en de uitzendkracht.

Let op! Zijn in een op 1 januari 2015 al bestaande cao afwijkende regels opgenomen, dan gelden de nieuwe regels met betrekking tot de loondoorbetalingsverplichting pas vanaf het moment dat deze cao afloopt. De nieuwe regels gelden echter in ieder geval vanaf 1 juli 2016, ook als de cao op dat moment nog niet is afgelopen.

6. Versterking rechten payrollmedewerkers

Payrollmedewerkers zijn werknemers die op papier in dienst zijn bij een bedrijf dat aan payrolling doet, maar bij u als opdrachtgever werken. U hebt als opdrachtgever deze werknemers geworven en geselecteerd om bij u werkzaam te zijn. De werknemers worden aan u ter beschikking gesteld op basis van een payrollovereenkomst. 

Payrollmedewerkers hebben vanaf 2015 dezelfde ontslagbescherming als werknemers die rechtstreeks bij u in dienst zijn. Dat betekent dat de payrollmedewerker alleen door het payrollbedrijf mag worden ontslagen als er bij u een redelijke grond aanwezig is voor het beëindiging van de payrollovereenkomst, bijvoorbeeld een verstoorde arbeidsrelatie, disfunctioneren of te weinig werk voor al uw medewerkers.

Het payrollbedrijf kan de payrollmedewerker wel ontslaan als u de payrollovereenkomst gedurende drie maanden niet nakomt en het payrollbedrijf geen ander werk heeft voor de medewerker.

The post Advieswijzer Arbeid en arbeidscontracten: ken uw rechten en verplichtingen appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Veranderingen voor uw auto op komst!

Het merendeel van de voorgestelde wijzigingen waren al bekend na verschijning halverwege vorig jaar van de Autobrief II. De wijzigingen in de autobelastingen voor de periode 2017-2020 zijn nu echter ook opgenomen in een officieel wetsvoorstel. Wat stelt het kabinet zoal voor?

Bijtelling

Het algemene bijtellingspercentage gaat omlaag van 25% naar 22% voor nieuwe auto’s vanaf 2017 en het percentage voor zéér zuinige auto’s gaat stapsgewijs omhoog. Het extra lage bijtellingspercentage voor de nulemissie-auto (elektrische auto) blijft gelden, maar vanaf 2019 wel met een restrictie. In schema ziet dit er als volgt uit:

Nieuwe auto

2016

2017

2018

2019/2020

Nulemissie

4%

4%

4%

4%

Zéér zuinig (1-50 gr/km)

15%

17%

19%

22%

Zuinig (51-106 gr/km)

21%

22%

22%

22%

Overig (> 106 gr/km)

25%

22%

22%

22%

Onder nieuwe auto wordt vanaf 2017 verstaan een auto met een datum van eerste toelating op de weg van na 31 december 2016. 

Let op! Vanaf 2019 is voor een nieuwe volelektrische auto (nulemissie) het bijtellingspercentage van 4% begrensd tot een catalogusprijs van € 50.000. Op het deel boven de € 50.000 is het algemene bijtellingspercentage van 22% van toepassing. Deze begrenzing is er niet voor de elektrische auto op waterstof. Deze auto’s hebben een bijtellingspercentage van 4% over de gehele cataloguswaarde.

60-maandentermijn

Het huidige overgangsregime is zeer divers en afhankelijk van diverse factoren. Grofweg komt het er op neer dat gedurende 60 maanden na de maand waarin de auto voor het eerst op kenteken is gezet hetzelfde bijtellingspercentage geldt, waarna een nieuwe termijn van 60 maanden ingaat tegen het op dat moment geldende bijtellingspercentage

Voorgesteld is om dit overgangsregime vanaf 2017 te beperken en het overgangsregime nog maar maximaal 1 termijn van 60 maanden te laten gelden. Na die periode van 60 maanden wordt per jaar bekeken welk dan geldend bijtellingspercentage bij de CO2-uitstoot van de auto past. De beperking tot maximaal 1 termijn van 60 maanden heeft onmiddellijke werking vanaf 1 januari 2017. Een auto die op 15 augustus 2012 op kenteken is gesteld, krijgt dus vanaf 1 september 2017 geen nieuwe termijn van 60 maanden meer.

Let op! Op de beperking van de 60-maandentermijn geldt één versoepeling: auto’s van vóór 1 juli 2012 waarvoor een bijtellingspercentage geldt van 14% of 20% behouden deze percentages tot en met 31 december 2018 onder de voorwaarde dat de auto altijd aan dezelfde automobilist ter beschikking heeft gestaan. Daarna geldt de jaarlijkse regel.

Afbouw BPM

De vrijstelling BPM voor personenauto’s zonder CO2-uitstoot blijft bestaan tot en met 2020.  Voor plug-in hybrides komt een aparte tarieftabel die er voor zorgt dat de BPM ongeveer gelijk getrokken wordt met conventionele auto’s.

Let op! De BPM op een plug-in hybride kan op basis van de voorstellen fors stijgen. Is nu het verschil in BPM tussen de meeste zuinige plug-in en de minst zuinige plug-in nog € 500, bedraagt dat vanaf 2017 op basis van de voorstellen € 11.000 tot € 12.000.

Voor alle overige auto’s gaan de tarieven in de aanschafbelasting BPM tot 2020 stapsgewijs naar beneden met in totaal 12%.

Aanpassingen MRB

De vrijstelling MRB voor personenauto’s zonder CO2-uitstoot blijft bestaan tot en met 2020. Voor plug-in hybride auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km blijft de MRB, net als in 2016, ook voor de jaren 2017 en 2018 de helft van het reguliere tarief, voor de jaren 2019 en 2020 wordt dit driekwart van het reguliere tarief.  De tarieven in de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor reguliere personenvoertuigen en bestelauto’s voor particulieren gaan in 2017 met 2% omlaag. Voor vervuilende dieselpersonen- en bestelvoertuigen geldt vanaf 2019 een toeslag MRB van 15%.

Verder verloop

De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met de voorgestelde wijzigingen in de autobelastingen. Het is de bedoeling dat dit gebeurt vóór 1 juli 2016, zodat onder meer de autobranche op tijd kan inspelen op de veranderingen vanaf 2017.

The post Veranderingen voor uw auto op komst! appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Advieswijzer Verdien geld met innovatie

Wat is innovatie?

Een rondje op internet leert ons dat innovatie gelijk staat aan vernieuwing. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is het begrip innovatie te omschrijven als: Alle activiteiten die gericht zijn op vernieuwing in een bedrijf. Innovaties kunnen volgens het CBS zowel technologisch als niet-technologisch van aard zijn. Bij technologische innovatie gaat het om het vernieuwen dan wel sterk verbeteren van producten, diensten of de processen waarmee producten en diensten worden voortgebracht. Van niet-technologische innovatie is bijvoorbeeld sprake bij vernieuwingen in de organisatie.

WBSO voor speur- en ontwikkelingswerk

Een van de belangrijkste fiscale stimuleringsregelingen voor innovatie is de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO). Met de WBSO kunt u de loonkosten voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) binnen uw bedrijf verlagen, maar ook de overige S&O-kosten en uitgaven. Tot 2016 vielen deze overige kosten en uitgaven overigens nog onder de RDA (Research & Developmentaftrek). Met ingang van dit jaar zijn de WBSO en de RDA samengevoegd tot een regeling: WBSO.
Ook als zelfstandig ondernemer kunt u gebruik maken van de WBSO. U moet dan wel minimaal 500 uren per jaar besteden aan S&O.

Welke projecten komen in aanmerking?

Onder de WBSO vallen met ingang van 2016 twee soorten projecten:

  • ontwikkeling van (onderdelen van) technisch nieuwe fysieke producten, fysieke productieprocessen of programmatuur,
  • technisch-wetenschappelijk onderzoek.

Werkgevers kunnen een afdrachtvermindering van loonbelasting krijgen voor werknemers die (gekwalificeerd) S&O-werk verrichten. Een ondernemer die S&O-werk verricht, kan de aftrek speur- en ontwikkelingswerk toepassen. Aftrek of afdrachtvermindering kan echter alleen als de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) een S&O-verklaring heeft afgegeven. Als werkgever kunt u maximaal drie keer per jaar een digitale WBSO-aanvraag indienen voor een periode van minimaal drie en maximaal twaalf maanden. De aanvraag mag meerdere projecten bevatten en moet minstens een volledige kalendermaand voor het begin van de projectperiode worden ingediend. Bent u zelfstandig ondernemer, dan geldt dit maximum niet. U kunt tot en met 30 september ongelimiteerd aanvragen indienen voor het kalenderjaar 2016.

Door de samenvoeging van de RDA met de WBSO moet u als werkgever (S&O-inhoudingsplichtige) bij de eerste WBSO-aanvraag voor 2016 kiezen tussen het werkelijke bedrag aan kosten en uitgaven of een forfaitair bedrag.

Wat levert het op?

De S&O-afdrachtvermindering bedraagt in 2016 32% van de totaal gemaakte S&O-(loon) kosten voor zover deze niet meer bedragen dan € 350.000, en 16% over de resterende S&O-(loon)kosten. Er geldt geen maximum meer voor de S&O-afdrachtvermindering.

Heeft u in de afgelopen jaren een RDA-beschikking gehad voor een 20%-deel van S&O-uitgaven van € 1 miljoen of meer, dan geldt een overgangsregeling. Deze resterende 20%-delen mag u in de komende kalenderjaren nog opvoeren onder de nieuwe samengevoegde WBSO-regeling.

De S&O-aftrek voor de ondernemer bedraagt in 2016 € 12.484. Omdat de RDA als zelfstandige innovatieregeling is komen te vervallen, is hiervoor ook geen aanvullende S&O-aftrek meer mogelijk in de inkomstenbelasting.

Is de verschuldigde loonheffing in een aangiftetijdvak niet voldoende om een evenredig deel van de S&O-afdrachtvermindering te kunnen verrekenen, dan mag u een restant verrekenen met andere aangiftetijdvakken die vallen in het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft.

Extra budget voor startende ondernemingen

Werkgevers die als starter worden aangemerkt, krijgen een S&O-afdrachtvermindering van 40% in plaats van 32% over de eerste € 350.000 van de totale S&O-(loon)kosten. Startende zelfstandigen krijgen een extra S&O-aftrek van € 6.245.

S&O-administratie

U bent verplicht om een S&O-administratie bij te houden van de uitvoering van de projecten. Uit deze administratie moet blijken welke S&O-werkzaamheden zijn verricht en hoeveel tijd daaraan is besteed. De bewaartermijn van de administratie is zeven jaar. Heeft u bij de eerste WBSO-aanvraag voor 2016 gekozen voor ‘werkelijke kosten en uitgaven’ en niet voor een forfaitair bedrag, dan moet u ook hiervoor een administratie bijhouden. Binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar moet u het aantal gerealiseerde S&O-uren en de eventuele werkelijk gemaakte kosten en uitgaven per S&O-verklaring melden aan RVO.nl.

Alle informatie over de WBSO vindt u terug op de website www.rvo.nl.

Innovatiebox in de vennootschapsbelasting

Heeft u voor uw eigen innovatie een S&O-verklaring of een octrooi ontvangen en onderneemt u in de vennootschapsbelasting, dan is de innovatiebox wellicht interessant voor u. De winsten die u maakt met innovatieve activiteiten kunt u onderbrengen in de innovatiebox. U betaalt dan aanzienlijk minder belasting. De voorwaarden zijn streng en er geldt een boxdrempel. U kunt elk jaar beslissen of u gebruik gaat maken van de innovatiebox.

Kunt u de innovatiebox toepassen, dan mag u sinds 2013 ook kiezen voor een forfaitaire regeling. Deze houdt in dat u 25% van uw totale winst mag aanmerken als voordeel voor de innovatiebox. De forfaitaire regeling kent een maximum van € 25.000.

Er zijn plannen om het innovatieboxregime in te perken. De komende maanden volgt meer duidelijkheid. Het is in ieder geval de bedoeling dat het mkb, ook in de toekomst, gebruik kan blijven maken van de innovatiebox.

Financieringsregelingen voor innovatie

De ontwikkeling van nieuwe producten, diensten en processen is duur. Heeft u een innovatief idee, maar beschikt uw bedrijf niet over de benodigde financiële middelen, dan biedt wellicht het Innovatiekrediet voor u uitkomst. Hiermee kunnen veelbelovende innovatietrajecten worden gefinancierd. Het is een risicodragend krediet. De rente varieert van 7% tot 10%, afhankelijk van het risicoprofiel. U moet het verleende Innovatiekrediet en de hierop berekende rente terugbetalen.

Er zijn meer financiële regelingen vanuit de overheid. Om uw toegang tot kredieten te vergemakkelijken, biedt de overheid diverse garantieregelingen. Door de garantiestelling zal een kredietverstrekker eerder bereid zijn u een lening te verstrekken. Beschikt u als innovatieve ondernemer over een S&O-verklaring, dan biedt de overheid binnen de regeling Borgstelling MKB Kredieten (BMKB) een aanvullende garantieregeling. De overheid staat borg voor 60% van de lening bij een krediet van maximaal € 1,5 miljoen. Meer informatie over verschillende financieringsregelingen voor innovatie vanuit de overheid kunt u vinden op www.rvo.nl.

Subsidieregelingen voor innovatie

Naast subsidies in de vorm van fiscaal voordeel of krediet zijn er ook subsidies in de vorm van een financiële bijdrage. Er zijn subsidies voor onderzoek en ontwikkeling, subsidies voor samenwerking en innovatie, subsidies die speciaal voor uw branche gelden en provinciale subsidies voor innovatie. Voor meer informatie over subsidies kunt u naast www.rvo.nl ook terecht op www.ondernemersplein.nl.

Voor als het u duizelt

In het voorgaande hebben wij een aantal regelingen voor u op het gebied van innovatie op een rij gezet. Maar er is nog zo veel meer. Wij kunnen ons voorstellen dat u wel wilt innoveren, maar dat u niet precies weet welke mogelijkheden u heeft en welke stappen u moet nemen. Bovendien moet u er op bedacht zijn dat het gaat om veelal ingewikkelde regelingen met vaak een beperkt budget. Win daarom informatie bij ons in. Wij helpen u graag verder!

The post Advieswijzer Verdien geld met innovatie appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Bezwaar tegen btw privégebruik auto niet opnieuw nodig

Ondernemers die de auto van de zaak ook privé gebruiken, moeten in de laatste btw-aangifte over 2015 de btw over dit privégebruik aangeven en betalen. Die jaarlijkse btw-correctie voor de auto van de zaak staat al enige jaren ter discussie.

De Belastingdienst heeft aangegeven dat ondernemers die bezwaar hebben gemaakt tegen de aangegeven btw voor het privégebruik van de auto over 2011, 2012, 2013 of 2014, dit voor 2015 niet opnieuw hoeven te doen. De Belastingdienst neemt het bezwaar namelijk ook automatisch voor 2015 in behandeling.

Tip: Twijfelt u of er de afgelopen jaren bezwaar is gemaakt, neem dan contact met ons op.

The post Bezwaar tegen btw privégebruik auto niet opnieuw nodig appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Boete voor personeel inlenen?

U kunt aansprakelijk worden gesteld voor de door de uitlener te betalen afdracht van loonheffingen en btw als u de zaken niet goed geregeld heeft. Ook moet u ervoor waken dat u met een geregistreerde uitlener zaken doet (www.waadicheck.nl).

Van inlenen is sprake als personeel dat in dienst is bij een andere ondernemer in uw onderneming onder uw leiding of toezicht werkzaamheden verricht. De andere ondernemer kan een uitzendbureau zijn, maar bijvoorbeeld ook een collega-ondernemer die zijn personeel (tijdelijk) aan u uitleent.

Let op! De aansprakelijkheid geldt voor loonheffingen en btw. Indien de zogeheten verleggingsregeling van toepassing is, geldt de aansprakelijkheid niet voor de btw.

The post Boete voor personeel inlenen? appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Afdrachtvermindering onderwijs ook bij deelkwalificaties

De Belastingdienst is onlangs in het ongelijk gesteld in een belangrijke zaak over de afdrachtvermindering onderwijs. Deze afdrachtvermindering is namelijk ook van toepassing bij deelkwalificaties, terwijl de Belastingdienst hierover een ander standpunt hanteerde.

Per 1 januari 2014 is de afdrachtvermindering onderwijs afgeschaft en vervangen door de Subsidieregeling Praktijkleren. Desalniettemin is de Belastingdienst blijven controleren of bedrijven de afdrachtvermindering onderwijs in het verleden wel juist hebben toegepast. Daarbij is de Belastingdienst ervan uitgegaan dat de afdrachtvermindering niet van toepassing is ingeval van deelkwalificaties. Naar nu blijkt een onjuist standpunt.

Deelkwalificaties

De Hoge Raad heeft namelijk onlangs geoordeeld dat de afdrachtvermindering onderwijs niet alleen kon worden toegepast bij het volgen van een (volledige) beroepsopleiding, maar ook wanneer een onderdeel van de opleiding (deelkwalificatie) werd gevolgd. Voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs was dus voldoende dat een werknemer de beroepspraktijkvorming van een bepaalde beroepsopleiding volgde.

Let op! Nu de Belastingdienst in het ongelijk is gesteld, heeft u mogelijk recht op een teruggaaf wanneer u van de Belastingdienst een naheffingsaanslag heeft ontvangen omdat u de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast bij deelkwalificaties. U moet dan wel tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen die naheffingsaanslag. Neem voor meer informatie contact met ons op.

The post Afdrachtvermindering onderwijs ook bij deelkwalificaties appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Meer invloed ondernemingsraad op pensioenregeling

De OR heeft nu alleen instemmingsrecht als een werkgever een pensioenregeling wil vaststellen of intrekken, maar niet als een werkgever de pensioenregeling wil wijzigen. Dat gaat veranderen. Als het aan het kabinet ligt, wordt het instemmingsrecht van de OR uitgebreid en kan de OR straks ook wel of niet instemmen met een wijziging van een pensioenregeling. De OR krijgt geen instemmingsrecht als de pensioenafspraken al inhoudelijk zijn geregeld in bijvoorbeeld een cao of als de pensioenovereenkomst is ondergebracht bij een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. De keuze voor een bepaalde pensioenuitvoerder blijft bij de werkgever. Daar heeft de OR geen zeggenschap over.

Let op! Het wetvoorstel ligt pas net bij de Tweede Kamer. Het duurt dus nog wel even voordat de uitbreiding van het instemmingsrecht van de OR over pensioenregelingen inwerking treedt.

The post Meer invloed ondernemingsraad op pensioenregeling appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.