Aanpassing ketenbepaling biedt oplossing voor seizoensarbeid

Werkgevers en werknemers krijgen de mogelijkheid om voor seizoensgebonden werk bij cao een uitzondering te maken op de Wet werk en zekerheid. Er komt een aanpassing van de ketenbepaling, waarmee de tussenpoos in deze bepaling bij cao kan worden verkort van zes naar ten hoogste drie maanden.

Ketenbepaling en seizoensarbeid

De ketenbepaling in de Wet werk en zekerheid regelt dat werknemers na een opeenvolging van drie contracten (met een tussenpoos van ten hoogste zes maanden) in twee jaar een vast contract moeten krijgen. Dit pakt vervelend uit bij seizoensarbeid. De ketenbepaling wordt daarom zo aangepast dat deze tussenpoos van ten hoogste zes maanden bij cao kan worden teruggebracht naar ten hoogste drie maanden. Het moet dan wel gaan om functies waarin de werkzaamheden door klimatologische of natuurlijke omstandigheden seizoensgebonden zijn en maximaal negen maanden per jaar kunnen worden verricht. 

Tip: Voordeel van deze maatregel is dat bij seizoensarbeid na een tussenpoos van drie maanden (in plaats van zes maanden) een nieuw tijdelijk contract kan worden aangegaan met de werknemer zonder dat sprake is van opeenvolgende contracten. Dit moet dan wel bij cao zijn geregeld.  

Afspraken bij cao

Cao-partijen kunnen zelf besluiten over het al dan niet verkorten van de tussenpoos naar ten hoogste drie maanden, voor welke seizoensgebonden functies dit gaat gelden en tegen welke voorwaarden. Er geldt nog wel een beperking. De verkorte tussenpoos van de ketenbepaling mag niet gelden voor functies die aansluitend door dezelfde werknemer kunnen worden uitgeoefend gedurende een periode van meer dan negen maanden per jaar. In dat geval ligt het namelijk voor de hand om niet telkens kortdurende tijdelijke contracten aan te gaan, maar juist een langer durend (al dan niet tijdelijk) dienstverband.  

Betreft het functies waarin de werkzaamheden normaliter langer dan negen maanden worden verricht, dan kan men gebruik maken van de bestaande mogelijkheid om de ketenbepaling bij cao te verruimen tot maximaal zes contracten in een periode van maximaal vier jaar.

Het is de bedoeling dat de verkorte tussenpoos van de ketenbepaling bij cao voor seizoensarbeid ingaat per 1 juli 2016. 

Let op! Deze maatregel is onderdeel van een omvangrijk pakket aan arbeidsmaatregelen dat op donderdag 21 april 2016 door het kabinet bekend is gemaakt.

The post Aanpassing ketenbepaling biedt oplossing voor seizoensarbeid appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Welke factoren vormen een aanwijzing voor een dienstbetrekking?

De VAR is vanaf 1 mei 2016 vervallen. Als u met zzp-ers werkt en zekerheid wilt over de loonheffingen moet u aan de slag: alleen als u werkt met een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst kunt u nog zekerheid over de loonheffingen krijgen. Bij de beoordeling of een modelovereenkomst kan worden goedgekeurd gaat het om de vraag of sprake is van een dienstbetrekking voor de zzp-er. In antwoord op Kamervragen geeft de staatssecretaris aan in hoeverre bepaalde genoemde factoren een aanwijzing vormen dat sprake is van een dienstbetrekking.

Alle factoren die een aanwijzing kunnen vormen voor het bestaan van een dienstbetrekking moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld. De hierna genoemde factoren zijn individueel niet doorslaggevend bij constatering of sprake is van een dienstbetrekking, maar ze kunnen wel een rol spelen. Hierbij geldt dat sommige factoren eerder zullen wijzen op de aanwezigheid van een dienstbetrekking dan andere.

Pensioenvoorziening of arbeidsongeschiktheidsverzekering

De deelname van een opdrachtnemer aan pensioenvoorziening of arbeidsongeschiktheidsverzekering van de opdrachtgever is een sterke aanwijzing dat mogelijk sprake is van een dienstbetrekking.

Opleiding of cursus

Wordt aan de opdrachtnemer een opleiding of cursus verstrekt of vergoedt dan vormt dit een sterke aanwijzing dat sprake is van een dienstbetrekking. 

Vergaderingen bij opdrachtgever

Neemt een opdrachtnemer deel aan vergaderingen bij de opdrachtgever (met werknemers van de opdrachtgever) dan kan dit een aanwijzing vormen dat sprake is van een dienstbetrekking. Dit is echter wel afhankelijk van het soort vergadering. Betreft het een afdelingsoverleg met een algemeen karakter dan wijst dit eerder in de richting van een dienstbetrekking dan dat specifiek overleg gevoerd wordt over de opdracht van de opdrachtnemer.

Bedrijfskleding

Stelt de opdrachtgever aan de opdrachtnemer bedrijfskleding ter beschikking dan kan dit een aanwijzing vormen dat sprake is van een dienstbetrekking.

Veiligheidsmiddelen

Dit geldt niet voor het ter beschikking stellen van veiligheidsmiddelen zoals mondkapjes en gehoorbescherming: de ter beschikkingstelling van dit soort zaken hoeft geen aanwijzing te zijn voor het bestaan van een dienstbetrekking.

Kantoorwerkplek

Ook het aan de opdrachtnemer ter beschikking stellen van een kantoorwerkplek (bureau, stoel, computer, printer) zal doorgaans geen aanwijzing zijn voor het bestaan van een dienstbetrekking. 

Tip! De genoemde factoren geven een indicatie of mogelijk sprake is van een dienstbetrekking. Andere factoren kunnen echter ook een rol spelen. Overleg bij twijfel met één van onze adviseurs.

The post Welke factoren vormen een aanwijzing voor een dienstbetrekking? appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Staatssecretaris reageert op ‘behoorlijk vage’ algemene modelovereenkomsten

De staatssecretaris heeft geantwoord op vragen uit de Tweede Kamer over het ‘behoorlijk vaag’ zijn van de algemene modelovereenkomsten. Hij vindt ‘vaag’ niet het juiste woord. De algemene modelovereenkomsten bevatten volgens de staatssecretaris de noodzakelijke bepalingen om tot een oordeel over de afwezigheid van een dienstbetrekking te komen terwijl ze toch bruikbaar zijn in verschillende sectoren en situaties.

Algemene versus specifieke overeenkomst

De algemene overeenkomsten geven de opdrachtgever en opdrachtnemer de mogelijkheid om hun arbeidsrelatie binnen de grenzen van de wet zelf vorm te geven. Indien deze algemene overeenkomsten voor de opdrachtgever en opdrachtnemer onvoldoende houvast geven, kunnen zij ook kiezen voor een meer specifieke modelovereenkomst, aldus de staatssecretaris.

Tip! Twijfelt u of de feitelijke arbeidsrelatie overeenstemt met de bepalingen uit een algemene modelovereenkomst, dan heeft u ook de mogelijkheid om uw eigen overeenkomst ter goedkeuring aan de Belastingdienst voor te leggen.

The post Staatssecretaris reageert op ‘behoorlijk vage’ algemene modelovereenkomsten appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Modernisering van het huwelijks vermogensrecht

Het klinkt misschien niet romantisch maar een huwelijk is ook een contract. We hebben in Nederland contractsvrijheid, dus het aanstaande echtpaar kan de gevolgen van hun huwelijk zo regelen als zij het willen hebben. Regelt men niets, dan geldt de wet. Die wet staat nu op het punt om gewijzigd te worden.

De wet geeft nu nog aan dat op het moment van het huwelijk een gemeenschap van goederen ontstaat waar alle huidige en toekomstige bezittingen van beide echtgenoten in vallen en waarbij ook alle schulden van het echtpaar door de gemeenschap gedragen moeten worden. Van deze regeling wil men nu met een wetsvoorstel de scherpe kantjes afhalen. De Tweede Kamer heeft al ingestemd en het ziet ernaar uit dat het wetvoorstel ook door de Eerste Kamer zal worden goedgekeurd.

Erfenissen en schenkingen 

In de nieuwe regeling ontstaat er bij een huwelijk nog steeds een gemeenschap van goederen, maar deze is niet meer zo totaal als nu nog het geval is. De gemeenschap bevat voortaan namelijk alleen de bezittingen die de echtgenoten voor het huwelijk al gezamenlijk bezaten (tenslotte wordt het gros van huwelijken tegenwoordig gesloten tussen mensen die al samenwonen) en verder alle goederen die zij vanaf het huwelijk verkrijgen. Een groot verschil met de huidige situatie is dat erfenissen en schenkingen niet langer automatisch in de gemeenschap zullen vallen.

Schulden

Voor wat de schulden betreft; alleen de gezamenlijke schulden van voor het huwelijk vallen in de gemeenschap en verder alle schulden gemaakt tijdens het huwelijk. Een voorhuwelijkse schuld van één van de partners (denk aan een studieschuld) is in de nieuwe wet niet langer automatisch een gemeenschapsschuld.

Ondernemingsvermogen

Heeft men al een onderneming als men trouwt, dan zal het ondernemingsvermogen niet in de gemeenschap vallen. Dat hoeft de zaak er niet eenvoudiger op te maken. Een redelijke vergoeding voor het werk van de ondernemer, valt namelijk wél in de gemeenschap. Ook als de onderneming zelf er niet in valt en ook als de onderneming een BV of NV is.

Let op! Het blijft verstandig vóór het huwelijk een notaris te raadplegen, want heldere en op de situatie van het echtpaar toegesneden huwelijksvoorwaarden, kunnen veel onduidelijkheid en getouwtrek in de toekomst voorkomen.

Voor mensen die al getrouwd zijn, brengt de nieuwe wet overigens geen verandering. Voor hen blijft de situatie zoals deze was. De modernisering is daarom een regeling die pas op termijn echt impact zal krijgen.

The post Modernisering van het huwelijks vermogensrecht appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Vastgoed-bv en BOR: flink belastingvoordeel

De Hoge Raad heeft een belangrijke uitspraak gedaan voor vastgoed-bv’s. In totaal ging het bij deze familie-bv om 350 verhuurde winkelpanden in verschillende bv’s, grotendeels gefinancierd met vreemd vermogen. Binnen de bv’s zijn verschillende medewerkers in dienst die beschikken over een hoop kennis en ervaring op het gebied van vastgoed. Al met al voldeed deze familie-bv aan een materiële onderneming, waardoor bij de schenking van 1/100ste certificaat de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) toegepast kon worden. Een flink belastingvoordeel!

Boven normaal rendement

Op de verhuur van het vastgoed wordt een aanzienlijk rendement gehaald (20%). Het rendement bestaat uit de huuropbrengsten en de waardestijging van het vastgoed. Dit wordt door de Hoge Raad gezien als een rendement dat bovengemiddeld is en dat niet behaald zou kunnen worden door normaal vermogensbeheer. Het geheel van alle verhuuractiviteiten wordt daardoor gezien als een onderneming.

Belastinguitstel en -besparing

Betrokken partijen behalen hiermee een mooi resultaat. Door het aanwezig zijn van een onderneming kan de aanmerkelijk belangclaim op de certificaten worden doorgeschoven naar de begiftigden (uitstel 25% aanmerkelijk belangheffing) en kan de ruime vrijstelling van de BOR op de schenking worden toegepast (100% vrijstelling tot € 1 miljoen en 83% vrijstelling boven € 1 miljoen). Hierdoor wordt een besparing en uitstel van belasting gerealiseerd van ruim 36%.

Tot slot

Een interessante uitspraak. Het is een van de eerste Hoge Raad-uitspraken in het kader van de BOR en het wel of niet drijven van een onderneming door een vastgoed-bv. Alle activiteiten rondom de verhuur, het rendement en de grote van de portefeuille hebben hier de doorslag gegeven. Informeer bij uw adviseur of u hier wellicht van kunt profiteren.

The post Vastgoed-bv en BOR: flink belastingvoordeel appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Aanpassingen transitievergoeding op komst

Transitievergoeding

Sinds 1 juli 2015 bent u als werkgever een transitievergoeding verschuldigd wanneer een tijdelijke of vaste werknemer ten minste twee jaar bij u in dienst is geweest en zijn arbeidscontract op uw initiatief is beëindigd. De transitievergoeding bent u ook verschuldigd wanneer u een zieke werknemer na twee jaar loondoorbetaling ontslaat.

In de praktijk werkt de transitievergoeding niet altijd even redelijk uit. Zo zijn er zorgen onder werkgevers in het MKB over de verschuldigde transitievergoeding wanneer men – door bedrijfseconomische omstandigheden – genoodzaakt is personeel te ontslaan. Ook houden sommige werkgevers de arbeidsovereenkomst van hun langdurig arbeidsongeschikte werknemer bewust in stand, om de transitievergoeding maar niet te hoeven betalen.

Het kabinet heeft geluisterd naar de praktijk en stelt daarom twee aanpassingen voor.

Opheffen gelijkwaardigheidseis in cao-regeling

Ten eerste komt de gelijkwaardigheidseis te vervallen voor cao-voorzieningen ingeval van ontslag om bedrijfseconomische redenen. Nu is het nog zo dat een werknemer geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding als in een cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. In de toekomst hoeft de bij cao geregelde voorziening niet langer gelijkwaardig te zijn aan de transitievergoeding. Cao-partijen kunnen dus zelf de inhoud en omvang van de cao-voorziening gaan bepalen. Die voorziening kan dan bijvoorbeeld alleen bestaan uit ‘van werk-naar-werk’ arrangementen. Door deze maatregel krijgen cao-partijen de mogelijkheid om de kosten bij ontslag om bedrijfseconomische redenen, voor individuele werkgevers, te verlagen.

Compensatie

Ten tweede wil het kabinet werkgevers gaan compenseren voor de kosten van een bij ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid verschuldigde transitievergoeding. Die compensatie zal gaan plaatsvinden vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf). Hier staat dan wel een verhoging van de (uniforme) Awf-premie tegenover.

Let op! Bovenstaande aanpassingen in de transitievergoeding moeten nog worden opgenomen in een wetsvoorstel. Daar gaat wat tijd overheen. Het is de bedoeling dat de maatregelen ingaan per 1 januari 2018. Deze maatregelen zijn onderdeel van een omvangrijk pakket aan arbeidsmaatregelen dat op donderdag 21 april 2016 door het kabinet bekend is gemaakt.

The post Aanpassingen transitievergoeding op komst appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Waarom betaal ik meer belasting dan het door de overheid gepubliceerde tarief?

Ja, dat gevoel kan kloppen. De berekening van de te betalen belasting is sinds een aantal jaren nog complexer geworden dan het al was. Dit komt door de zogenoemde afbouw van de heffingskortingen. Hierdoor kan een voorgesteld belastingtarief van 40,4% hoger uitvallen dan u in eerste instantie zou verwachten.

Tarieven

In de loonbelasting (maar ook in de inkomstenbelasting) kennen we een zogenaamd schijventarief. Vanaf een bepaald inkomen wordt een bepaald belastingtarief toegepast (welke stijgt naarmate het inkomen hoger is). In 2016 geldt voor zowel de loonbelasting als de inkomstenbelasting het volgende schijventarief (voor personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt):

 Schijf  Belastbaar inkomen  Belasting 
 1  t/m 19.922  36,55% 
 2  van 19.923 t/m 66.421   40,4% 
 3  vanaf 66.422  52% 

Heffingskortingen

Daarnaast kennen we zogenaamde heffingskortingen. Heffingskortingen vormen een vermindering op de te betalen belasting. De algemene heffingskorting bedraagt € 2.242 en de arbeidskorting € 3.103 (vanaf een inkomen van € 19.758). Deze kortingen komen in mindering op de belasting berekend volgens het tarief.

Sinds een aantal jaren wordt het bedrag van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting echter lager naarmate uw inkomen hoger wordt. Dit heet de afbouw van de heffingskortingen. Met name in 2016 is deze afbouw sterk toegenomen: 

  • de algemene heffingskorting wordt vanaf een inkomen van € 19.923 met 4,822% afgebouwd,
  • de arbeidskorting wordt vanaf een inkomen van € 34.016 met 4% afgebouwd.

Dit betekent dat u in plaats van de verwachte korting op uw te betalen belasting van € 2.242 en € 3.103 ineens veel minder korting krijgt. Deze vermindering kan oplopen tot 8,822% van uw inkomen boven de hiervoor genoemde inkomens!

Kunt u het nog volgen? Wij gaan het proberen uit te leggen aan de hand van een voorbeeld.

Voorbeeld

Uw inkomen bedraagt € 38.000. Over de eerste € 19.922 bedraagt de belasting 36,55% (€ 7.281) belasting en over het restant 40,4% (€ 7.303). Per saldo derhalve € 14.584. Na aftrek van de algemene heffingskorting (€ 2.242) en de arbeidskorting (€ 3.103) verwacht u € 9.239 belasting te betalen.

Uw algemene heffingskorting wordt vanaf een inkomen van € 19.923 echter met 4,822% van dat hogere inkomen en uw arbeidskorting vanaf een inkomen van € 34.016 met 4% van dat hogere inkomen verminderd.

De door u te betalen belasting bedraagt dan:

 Tarief schijf 1  € 7.281  (36,55% over € 19.922)
 Bij: tarief schijf 2  € 7.304 +  (40,4% over € 38.000 – € 19.922)
 Af: algemene heffingskorting  € 2.242 –  
 Bij: afbouw heffingskorting  € 871 +  (4,822% over € 38.000 – € 19.922)
 Af: arbeidskorting  € 3.103 –  
 Bij: afbouw arbeidskorting  € 159 +  (4% over € 38.000 – € 34.015)
 Te betalen belasting  € 10.270  

Belasting rekening houdend met afbouw heffingskortingen

De afbouw van de heffingskortingen kan in de tarieventabel worden ingebouwd. Op die manier kunt u eenvoudiger vaststellen hoe hoog de belastingdruk op een bepaald inkomen werkelijk is. In de volgende tabel (voor personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt) is de afbouw van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting verwerkt.

 Schijf  Belastbaar inkomen  Belasting 
 1  t/m 19.922  36,55%
 2  van 19.923 t/m 34.015  45,222%
 3  van 34.016 t/m 66.417  49,222%
 4  van 66.418* t/m 66.421  44,400%
 5  van 66.422 t/m 111.590  56,00%
 6  vanaf 111.591**  52,00%

*vanaf dit inkomen geen recht meer op algemene heffingskorting
**vanaf dit inkomen geen recht meer op arbeidskorting

Toegepast op het voorbeeld kunt u de betalen belasting dan als volgt berekenen:

 Tarief schijf 1   € 7.281   (36,55% over € 19.922) 
 Bij: tarief schijf 2  € 6.373 +  (45.222% over € 34.015 – € 19.922)
 Bij: tarief schijf 3  € 1.961 +   (49,222% over € 38.000 – € 34.015)
 Af: algemene heffingskorting  € 2.242 –  
 Af: arbeidskorting  € 3.103 –  
 Te betalen belasting  € 10.270  

Let op! Voor inkomens tot € 19.758 kunt u de tabel niet gebruiken. Voor deze inkomens is de arbeidskorting lager dan € 3.103 maar loopt deze op naarmate het inkomen hoger wordt.

The post Waarom betaal ik meer belasting dan het door de overheid gepubliceerde tarief? appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Qredits lanceert doorlopend krediet voor MKB

Per 1 juni 2016 kunnen MKB-ondernemers bij Qredits terecht voor een doorlopend zakelijk krediet. Deze flexibele financieringsruimte bedraagt maximaal € 25.000 en wordt alleen aangeboden in combinatie met een gewone lening.

Het flexibel krediet is interessant als tijdelijke overbrugging voor met name kleinere bedrijven met een beperkte liquide buffer. Als ondernemer bepaal je zelf hoeveel werkkapitaal je nodig hebt naast een lening die nodig is voor bijvoorbeeld een nieuwe investering. Voordeel van deze financieringsmogelijkheid is dat er alleen rente wordt betaald over het opgenomen bedrag en dat er direct kan worden afgelost. Hiermee kun je als ondernemer duidelijk besparen op rentelasten.

The post Qredits lanceert doorlopend krediet voor MKB appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Blijvende lage rente maakt Pensioenknip minder interessant

Wie vlak voor zijn pensioendatum zit en voor 1 januari 2017 een pensioenproduct aanschaft, kan gebruikmaken van de Pensioenknip. Daarmee kan een tijdelijke uitkering van maximaal twee jaar worden aangekocht.

Reden om voor de Pensioenknip te kiezen is de verwachting dat er in de komende twee jaar meer rendement wordt behaald over het vermogen dan de marktrente zal opleveren. Het resterende pensioenkapitaal wordt namelijk gereserveerd om na die periode om te zetten in een vaste uitkering. Tevens is er de hoop dat de marktrente na die twee jaar is gestegen. In die situatie is het lucratiever om dan een product met een vaste uitkering aan te schaffen.

Na Pensioenknip doorbeleggen

Gezien de huidige lage markrente én de verwachting dat deze nog geruime tijd laag zal blijven, biedt de pensioenknip eigenlijk alleen perspectief als daarna wordt gekozen voor ‘doorbeleggen na pensioendatum’. Dit is een nieuwe constructie waarbij er geen rentevergoeding wordt betaald, maar het vermogen wordt belegd. Naar alle waarschijnlijkheid gaat de wetswijziging die dit mogelijk maakt dit jaar, op zijn vroegst per 1 augustus 2016, in werking.

Groter risico voor voldoende rendement

Wordt gekozen voor doorbeleggen, dan zal er een substantieel beleggingsrisico genomen moeten worden. Vaak kan alleen met een dergelijk product een dusdanig rendement worden behaald om een hogere uitkering te realiseren, als direct een vaste uitkering aangekocht wordt. Ook al omdat de levensverwachting normaal gesproken verder zal toenemen. Met alle risico’s van dien want een risicovoller product levert ook een grotere kans op substantiële verliezen.  

Speculatie of zekerheid

Met de combinatie Pensioenknip en vervolgens ‘doorbeleggen’ moet een pensioengerechtigde daarom rekening houden met het risico van een lagere pensioenuitkering dat kan oplopen tot tien of twintig procent en meer. Kan dit gedragen worden, dan is dat prima. Er is immers ook een kans op een hoger rendement. Wie voor zekerheid gaat, doet er verstandig aan rond de pensioengerechtigde leeftijd een product aan te schaffen met een vaste uitkering.

The post Blijvende lage rente maakt Pensioenknip minder interessant appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Minder snel loonsanctie bij re-integratie inspanning

Bij re-integratie van een zieke werknemer bij een andere werkgever (re-integratie in het tweede spoor) loopt de huidige werkgever alsnog het risico op een loonsanctie als dit traject niet, of niet op het juiste moment, is ingezet.

Veel werkgevers ervaren de verplichting om een werknemer te re-integreren in het tweede spoor als belastend en zetten een dergelijk traject vaak enkel in om juist een loonsanctie te voorkomen. Daarom zijn er plannen om de regelgeving rondom een tweede spoortraject aan te passen.

Re-integratie

Heeft u als werkgever niet voldoende gedaan aan de re-integratie van uw zieke werknemer, dan kan UWV een loonsanctie opleggen. Een loonsanctie kan ook worden opgelegd bij re-integratie bij een andere werkgever. Dit is het geval wanneer een dergelijk tweede spoortraject niet, te laat of te vroeg wordt ingezet. Nieuwe regels moeten voorkomen dat bij een onjuiste inzetting van een tweede spoortraject een loonsanctie wordt opgelegd.

Nieuwe regels

Bij voldoende re-integratie inspanningen moet een werkgever erop kunnen vertrouwen dat hij niet alsnog de kans loopt op een loonsanctie. Daarom wordt de wijze waarop een tweede spoortraject wordt ingezet een keuze van de werkgever en zijn zieke werknemer op basis van het advies van de bedrijfsarts. Dit advies wordt door de werkgever en de werknemer vertaald in een plan van aanpak. UWV toetst vervolgens of het re-integratietraject is verlopen conform dit plan. 

Werkgevers en werknemers kunnen uitgaan van het oordeel van de bedrijfsarts. Een (kleine) werkgever die het advies van de bedrijfsarts opvolgt, hangt geen risico op loonsanctie boven het hoofd.    

Het duurt nog even voordat deze nieuwe regels ingaan. Hiervoor moet namelijk een wetsvoorstel worden ingediend. Hoe dit wetsvoorstel eruit gaat zien, wordt deze zomer duidelijk. 

Let op! De maatregel ter voorkoming van een loonsanctie bij re-integratie in het tweede spoor is onderdeel van een omvangrijk pakket aan arbeidsmaatregelen dat op donderdag 21 april 2016 door het kabinet bekend is gemaakt. 

The post Minder snel loonsanctie bij re-integratie inspanning appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.