Bijtelling ondanks verbod privégebruik

Had deze werkgever zijn zaken beter op orde gehad, had hij deze forse aanslag en boete wellicht kunnen voorkomen.

De valkuilen

De werkgever dacht dat het wel goed zat. Hij had zijn werknemers immers meegedeeld dat privégebruik van de auto niet was toegestaan. Daarnaast stonden de auto’s niet aan één werknemer specifiek ter beschikking, maar werden deze voortdurend afwisselend door vele werknemers gebruikt. Bovendien werden de auto’s ’s avonds ook nog bij het kantoor van de werkgever geparkeerd hetgeen privégebruik in de avond onmogelijk zou maken.

Desondanks ging het mis. De werkgever kon namelijk niet voldoende onderbouwen dat daadwerkelijk niet privé met de auto’s was gereden. Het verbod op privégebruik werd nauwelijks gecontroleerd. Ook het afwisselende gebruik van de auto’s kon de werkgever niet baten omdat het personenauto’s betrof. De speciale regeling die voor afwisselend gebruik geldt, is immers alleen van toepassing voor bestelauto’s. Ditzelfde gold voor het parkeren van de auto’s bij het kantoor van de werkgever: alleen voor bestelauto’s is wettelijk vastgelegd dat de bijtelling in zo’n situatie achterwege kan blijven.

Wat had deze werkgever anders kunnen doen?

De werkgever had zich beter moeten laten informeren over de regels. Bijtelling voor personenauto’s kan niet zonder meer achterwege blijven. De bijtelling kan in principe alleen achterwege blijven als de werknemer over een beschikking verklaring geen privégebruik auto beschikt en door een rittenregistratie of met ander bewijs kan aantonen dat de auto op jaarbasis niet voor meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt. Als de werknemer niet beschikt over de eerste twee bewijsmiddelen, is de werkgever aangewezen op ander bewijs. Een verbod op privégebruik en het parkeren bij de werkgever kunnen onderdeel zijn van dit andere bewijs, maar zullen in het algemeen zonder nadere afspraken met de Belastingdienst vaak onvoldoende bewijs vormen.

Verbod privégebruik

Een verbod op privégebruik is op zich over het algemeen onvoldoende om de bijtelling achterwege te kunnen laten. Hiervoor is aanvullend bewijs nodig, zoals een controle op dit verbod en een reële sanctie bij overtreding van het verbod.

Tip: Wilt u gebruikmaken van de mogelijkheid om door een verbod op privégebruik de bijtelling achterwege te laten, maak hierover dan altijd vooraf afspraken met de Belastingdienst. Hiermee voorkomt u dat u achteraf voor onaangename verrassingen komt te staan.

Afwisselend gebruik

Voor bestelauto’s die afwisselend door verschillende werknemers worden gebruikt, geldt onder voorwaarden een speciale regeling waarbij het eventuele privégebruik kan worden ‘afgekocht’ voor € 300 per jaar. Deze speciale regeling geldt echter expliciet niet voor personenauto’s.

Parkeren bij de werkgever

Voor bestelauto’s die buiten werktijd niet gebruikt kunnen worden, is in de wet opgenomen dat geen bijtelling hoeft te worden toegepast. Een dergelijke wettelijke regeling is er echter niet voor personenauto’s. Of de omstandigheid dat een personenauto alleen tijdens werktijd kan worden gebruikt voldoende is om met ander bewijs aan te tonen dat de auto niet voor meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt, is moeilijk te zeggen. Het lijkt erop dat de Belastingdienst in ieder geval essentieel acht dat de werkgever controleert of de auto inderdaad op het parkeerterrein wordt geparkeerd, bijvoorbeeld door controle van de achtergelaten sleutels.

Tip: Overleg altijd vooraf met de Belastingdienst of het buiten werktijd parkeren van de personenauto op het parkeerterrein bij het bedrijfspand in uw specifieke geval voldoende is om geen bijtelling toe te passen.

The post Bijtelling ondanks verbod privégebruik appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Bewaar uw administratie zeven jaar

Voor ondernemers gelden wettelijke regels voor het bewaren van hun administratie. Hoofdregel is dat een ondernemer de administratie minstens zeven jaar moet bewaren, zodat de Belastingdienst binnen een redelijke termijn de rechten en verplichtingen van de onderneming kan vaststellen.

Wanneer gaat de bewaartermijn in? De termijn van zeven jaar gaat lopen na afloop van het jaar waarin u het te bewaren stuk in uw administratie verwerkt. Bij uitstel van aangifte wordt de periode van zeven jaar verlengd met het verleende uitstel. Voor de administratie betreffende onroerende zaken wordt er van de hoofdregel afgeweken en geldt een bewaartermijn van tien jaar.

Tip: Het is mogelijk met de Belastingdienst afspraken te maken over bewaartermijnen en het detailniveau van uw administratie. De Belastingdienst kan bijvoorbeeld met u overeenkomen dat niet alle telstroken van de kassa bewaard hoeven te worden. Verder kunt u ook kortere bewaartermijnen dan zeven jaar overeenkomen. Zo’n overeenkomst moet dan wel schriftelijk worden vastgelegd. Als u dit overeenkomt dan gelden de kortere bewaartermijnen in principe alleen tussen u en de Belastingdienst. De afspraak geldt dus niet automatisch ook voor andere overheidsinstellingen.

Tot zover lijkt het nog eenvoudig. Tenslotte is het bijna onmogelijk een onderneming goed te managen zonder deugdelijke administratie, dus die zullen de meeste ondernemers wel hebben.

Ander computersysteem

Het wordt gecompliceerder als de ondernemer besluit over te gaan op een ander computersysteem. Ook dan geldt de bewaartermijn van zeven jaar. Het is dus noodzakelijk het oude computerprogramma nog minstens zeven jaar beschikbaar te hebben of ervoor te zorgen dat de oude gegevens ook geraadpleegd kunnen worden via het nieuwe programma.

In oorspronkelijke vorm bewaren

In principe dienen gegevens in hun oorspronkelijke vorm bewaard te blijven. Dat wil zeggen papier als papier, terwijl digitale bestanden digitaal benaderd moeten kunnen worden. Papieren bestanden inscannen in een computer om zo aan de bewaarplicht te voldoen, is toegestaan. U moet hiervoor wél aan bepaalde voorwaarden voldoen, bedoeld om de echtheid van de gegevens te garanderen.

The post Bewaar uw administratie zeven jaar appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Advieswijzer Verlofregelingen 2016

Zwangerschaps- en bevallingsverlof

Zwangerschapsverlof gaat 6 tot 4 weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum in. Dit noemen we ook wel de ‘flexibiliseringsperiode’. De werknemer moet dit verlof aanvragen bij de werkgever met een verklaring van een arts waarin de vermoedelijke bevallingsdatum staat.

Het bevallingsverlof loopt vanaf de dag na de bevalling ten minste 10 weken, te vermeerderen met het aantal dagen dat de baby te vroeg is geboren.

De partner van een werknemer heeft recht op 2 dagen betaald kraamverlof. De partner moet het kraamverlof bij een thuisbevalling binnen 4 weken na de geboorte opnemen. Bij een bevalling in het ziekenhuis moet de partner het verlof binnen 4 weken na thuiskomst van de baby uit het ziekenhuis opnemen. Het kraamverlof kan worden gebruikt om het kind aan te geven bij de burgerlijke stand. Voor het aangeven van het kind kan ook een beroep op het calamiteitenverlof (lees verderop in de advieswijzer) worden gedaan.

Speciale vormen van zwangerschaps- en bevallingsverlof: 

  • De ‘couveuseregeling’: het bevallingsverlof wordt verlengd met maximaal 10 weken bij langdurige opname van de baby in het ziekenhuis. De eerste 7 opnamedagen tellen niet mee voor de verlenging van het bevallingsverlof.
  • Deeltijd bevallingsverlof: de periode van het bevallingsverlof vanaf 6 weken na de bevallingsdatum kan in overleg met de werkgever gespreid worden opgenomen over een periode van maximaal 30 weken. Dit maakt deeltijdopname van het bevallingsverlof mogelijk. De werknemer moet de werkgever hier uiterlijk 3 weken na de bevallingsdatum om verzoeken.
  • Overname overblijvend bevallingsverlof bij overlijden moeder. De partner van een moeder die na de geboorte tijdens het bevallingsverlof overlijdt, heeft recht op het resterende bevallingsverlof met behoud van loon. Het pasgeboren kind is op die manier verzekerd van zorg door een ouder. De werkgever van de partner kan de loondoorbetaling weer bij het UWV claimen.
  • Bij een meerling bestaat er recht op 4 weken extra zwangerschapsverlof. Deze wijziging is per 1 april 2016 ingegaan en geldt voor werkneemsters die op donderdag 26 mei 2016 of later zijn uitgerekend. De duur van het bevallingsverlof is ongewijzigd gebleven.

Pleegzorg- en adoptieverlof

Adopteert een werknemer een kind of neemt een werknemer een pleegkind op in zijn gezin? Dan heeft de werknemer recht op adoptieverlof of pleegzorgverlof. Het verlof geldt voor beide adoptieouders. Het adoptie- of pleegzorgverlof duurt maximaal 4 weken. Tijdens het verlof heeft de werknemer geen recht op loon, wel op een adoptie- of pleegzorguitkering. Het UWV keert die uitkering uit. Vaak loopt dat via de werkgever. Tijdens het verlof bouwt de werknemer vakantiedagen op. Bij ziekte tijdens verlof loopt het verlof door.

Het verlof moet worden opgenomen binnen een periode van 26 weken. Het recht bestaat vanaf 4 weken vóór de eerste dag van de feitelijke adoptie tot 22 weken erna. Werknemers kunnen het verlof gespreid opnemen.

Kort- en langdurend zorgverlof

Kortdurend zorgverlof is er om enkele dagen noodzakelijke zorg te geven aan inwonende (pleeg- of adoptie)kinderen, de partner of ouders. De werkgever betaalt minstens 70% van het salaris door, maar niet minder dan het minimumloon. Tijdens het zorgverlof bouwt de werknemer vakantiedagen op. De werknemer kan maximaal 2 keer het aantal uren dat hij per week werkt als kortdurend zorgverlof opnemen in een periode van 12 maanden.

Langdurend zorgverlof is er om voor langere tijd voor een ernstig zieke partner, kind of ouder te zorgen. De werkgever hoeft het salaris tijdens het verlof niet door te betalen, maar de werknemer bouwt tijdens het verlof wel vakantiedagen op. De werknemer kan per 12 maanden maximaal 6 keer het aantal uren dat hij per week werkt opnemen. Werkgever en werknemer kunnen afspreken dat het verlof over maximaal 18 weken wordt verdeeld. In overleg zijn ook andere afspraken mogelijk.

Werknemers kunnen ook kort- en langdurend zorgverlof opnemen voor de noodzakelijke zorg aan:

  • grootouders, kleinkinderen, broers en zussen (tweedegraads bloedverwanten),
  • andere huisgenoten dan de kinderen of partner (bijvoorbeeld een inwonende tante), mensen met wie uw werknemer een sociale relatie heeft (bijvoorbeeld een buurvrouw of vriend) en die van de hulp van uw werknemer afhankelijk zijn.

Langdurend zorgverlof kan zowel worden opgenomen bij een levensbedreigende ziekte als voor de noodzakelijke verzorging bij ziekte of hulpbehoevendheid.

Calamiteiten- en kortverzuimverlof

Calamiteitenverlof is er voor problemen in het privéleven die de werknemer onmiddellijk moet oplossen, voor dokters- en ziekenhuisbezoek die niet buiten werktijd is te plannen en voor andere situaties waarin de werknemer korte tijd niet kan werken. De werkgever betaalt het salaris in dit soort gevallen door. Het calamiteitenverlof duurt een paar uur tot een paar dagen, zo lang als nodig is om de eerste problemen op te lossen. Duurt het langer, dan kan de werknemer verzoeken om opname van kortdurend zorgverlof.

Voorbeelden van situaties waarin de werknemer calamiteiten- of kortverzuimverlof kan opnemen:

  • een direct familielid overlijdt.
  • de partner van de werknemer bevalt.
    De wet beschrijft wat onvoorziene omstandigheden zijn waarvoor calamiteiten- of kortdurend verzuimverlof mogelijk is. In de wet worden de volgende situaties benoemd, maar er zijn meer situaties denkbaar:
  • spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd om te plannen arts- of ziekenhuisbezoek:
    1. door de werknemer.
    2. door iemand die valt binnen de categorie personen waarvoor ook kort- en langdurend zorgverlof mogelijk is (onder andere grootouders, ouders, kinderen, kleinkinderen) en die de werknemer daarbij begeleidt.
  • noodzakelijke verzorging op de eerste ziektedag van iemand die valt binnen de categorie personen waarvoor ook kort- en langdurend zorgverlof mogelijk is.
  • bij onvoorziene omstandigheden waarvoor de werknemer onmiddellijk vrij moet nemen.

Flexibel werken 

Vanaf 1 januari 2016 is de wet aanpassing arbeidsduur opgevolgd door de wet flexibel werken. Een werknemer die minimaal 26 weken in dienst is en die zijn arbeidsduur, arbeidsplaats of werktijd wil aanpassen moet ten minste 2 maanden voor de beoogde ingangsdatum een schriftelijk verzoek indienen bij zijn werkgever. De werkgever dient vervolgens in overleg te treden met de werknemer over diens wens tot aanpassing. Uiterlijk 1 maand voor de beoogde ingangsdatum moet de werkgever schriftelijk op het verzoek reageren. Reageert de werkgever niet dan wordt het verzoek geacht te zijn gehonoreerd.

Voorwaarden

De werknemer mag 1 keer per jaar een nieuwe aanvraag doen tot aanpassing van de arbeidsduur, arbeidsplaats of werktijd. Bij onvoorziene omstandigheden mag de arbeidsduur ook tussendoor worden aangepast. Ook is het mogelijk de werktijd voor korte duur aan te passen, bijvoorbeeld om mantelzorg te geven en dat later te compenseren door meer te werken.

Afwijzing van het verzoek om aanpassing van arbeidsduur dan wel de werktijd is alleen mogelijk als zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich tegen inwilliging van het verzoek verzetten. Bij aanpassing van de arbeidsplaats echter mag de werknemer weliswaar een verzoek indienen en de werkgever dient dit verzoek in overweging te nemen. Er bestaat dus geen afdwingbaar recht.

Krijgt een werknemer toestemming om thuis te werken, dan wordt zijn thuis de werkplek. Een werkgever dient dan te controleren in hoeverre deze werkplek voldoet aan de Arbowetgeving.

The post Advieswijzer Verlofregelingen 2016 appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Tips voor het zzp-pensioen

Start met een inventarisatie van wat u en uw eventuele partner al hebben opgebouwd aan pensioen. Daarnaast moet u bepalen wanneer u wilt stoppen met werken en wat u dan denkt nodig te hebben. Dit is niet eenvoudig, maar het vormt wel de basis voor uw persoonlijke regeling.

Tip: Start op tijd met uw oudedagsvoorziening. Des te langer u wacht, des te groter de kans dat u onvoldoende tijd heeft om in uw pensioenbehoefte te kunnen voorzien.

Pensioen bij uw oude werkgever

Bent u onlangs gestart en had u hiervoor een baan met een pensioenregeling? Dan kunt u op grond van de Pensioenwet en de Wet op de Loonbelasting onder voorwaarden nog tot tien jaar deelnemen aan uw oude werknemerspensioenregeling, afhankelijk van de mogelijkheden bij die specifieke pensioenregeling. Of het verstandig is gezien de hoogte van de premie maar ook de dekkingsgraden van pensioenfondsen, is een andere vraag. Wel is het vaak makkelijk om het op die manier te regelen.

Verplicht pensioen?

Sommige beroepsgroepen hebben een verplichte pensioenregeling. Denk aan schilders maar ook medische en paramedische beroepsuitoefenaars zoals artsen, dierenartsen, fysiotherapeuten en apothekers hebben een dergelijke regeling. Valt u in die categorie, dan is het belangrijk om te bepalen of het pensioen dat wordt opgebouwd afdoende is.

Fiscale oudedagsreserve

U kunt gebruikmaken van de fiscale oudedagsreserve, de FOR. In 2016 mag u 9,8 % van de winst reserveren met een maximum van € 8.774. Het voordeel is dat u het geld gewoon kunt gebruiken om te ondernemen. Feitelijk  is de oudedagsreserve een deel van de winst waarover nog geen belasting is betaald. Te zijner tijd, uiterlijk bij het staken van uw onderneming of bij het bereiken van de AOW-leeftijd, moet over de oudedagsreserve fiscaal worden afgerekend. Formeel bouwt u dus een belastingschuld op. Staatssecretaris Wiebes is wellicht van plan de FOR af te schaffen. Deze beslissing zou wel eens gepaard kunnen gaan met een fiscaal voordeel. Als beginnend zzp’er kan de FOR op dit moment dus een goede keus zijn.

Fiscale spaarmogelijkheden

Vervolgens zijn er twee fiscale spaarmogelijkheden: de verzekerde lijfrente of de bancaire lijfrente. Beide zijn lijfrentes en moeten buiten uw onderneming worden opgebouwd. Dit kapitaal is daarmee niet meer beschikbaar voor uw onderneming. De aftrek is vergelijkbaar met een normale pensioenopbouw en als je niet de volledige lijfrentemogelijkheden hebt benut in het verleden, mag er over zeven jaar worden ingehaald.

Een startende zzp’er zou daarom in beginsel kunnen volstaan met een goede overlijdensverzekering en arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een overlijdensrisicoverzekering zou ook als lijfrente kunnen worden afgesloten, de premie is dan fiscaal aftrekbaar. Na een aantal jaren kan hij alsnog met terugwerkende kracht lijfrentepremies betalen als oudedagsvoorziening. De jaarlijkse aftrek is 13,8 % van de winst van zo’n € 90.000. De inleg kan dus oplopen tot ruim € 12.000 per jaar.

Het speciale zzp-pensioen

Het in de media veelbesproken zzp-pensioen is in feite gewoon een bancaire lijfrente. Het grote voordeel is dat u het kapitaal bij arbeidsongeschiktheid mag gebruiken voor direct inkomen. Het nadeel is uiteraard dat het bedrag dat u opneemt van uw oudedagsvoorziening af gaat.

Zelf sparen of hypotheek aflossen

Een andere optie is gewoon sparen of beleggen in box 3. Het geld blijft dan altijd voor u beschikbaar, ook voor andere zaken. U kunt uiteraard ook uw eventuele hypotheek aflossen. Zeker gezien de lage rente op spaargeld, is dit een interessante optie. Minder hypotheekrente betekent minder behoefte aan inkomen later en een verlaging van uw huidige woonlasten. U kunt uiteraard pas bij het kapitaal als u het huis verkoopt of als er mogelijkheden zijn om de overwaarde op te nemen.

Verkoop bedrijf en stakingslijfrente

Uw bedrijf kan ook uw spaarpot zijn. Verkoopt u uw bedrijf en maakt u een flinke winst, dan kan dat wellicht toereikend zijn. Dit is natuurlijk een onzekere factor, u kunt immers niet in de toekomst kijken. Doet u het goed als ondernemer en brengt u uw IB-onderneming in een bv in, dan krijgt u een stakingslijfrentefaciliteit. Een deel van de stakingswinst mag u onbelast omzetten in een lijfrente. Dit deel loopt op van € 112.000 voor een 50-minner, € 224.000 voor een 50-plusser en maar liefst € 449.000 vanaf 60 jaar.

The post Tips voor het zzp-pensioen appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

1 september deadline Energielijst en Milieulijst 2017

Wilt u nog een voorstel indienen voor de nieuwe Energielijst en Milieulijst van 2017, wacht dan niet langer. Een voorstel om één van deze twee lijsten aan te vullen met uw bedrijfsmiddel kan worden ingediend tot uiterlijk 1 september 2016.

De Energielijst en de Milieulijst worden jaarlijks geactualiseerd. Wilt u graag uw eigen bedrijfsmiddel op één van de lijsten plaatsen, dan kunt u hiervoor een voorstel indienen bij RVO.nl. Hiermee versnelt u de marktintroductie van het nieuwe bedrijfsmiddel. Een voorstel indienen kan tot uiterlijk 1 september 2016.

Extra fiscaal voordeel

Ondernemers die investeren in een bedrijfsmiddel dat voorkomt op de Energielijst of de Milieulijst kunnen rekenen op extra fiscaal voordeel, mits het investeringsbedrag hoger is dan € 2.500. Betreft het een bedrijfsmiddel op de Energielijst, dan komt u in aanmerking voor de Energie-investeringsaftrek (EIA) waarmee u 58% van het investeringsbedrag extra in mindering kunt brengen op de fiscale winst.

Betreft het een bedrijfsmiddel dat voorkomt op de Milieulijst, dan heeft u recht op de Milieu-investeringsaftrek (MIA). Afhankelijk van de categorie waarin uw milieu-investering valt, kunt u tot maximaal 36% van het investeringsbedrag in mindering brengen op de fiscale winst. Daarnaast heeft u de mogelijkheid om 75% van de investering willekeurig af te schrijven (VAMIL).

Tip: Naast de MIA of de EIA kunt u ook de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek toepassen. Een combinatie van de EIA en de MIA is echter niet mogelijk.

The post 1 september deadline Energielijst en Milieulijst 2017 appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Subsidieregeling praktijkleren: kom in actie!

Wilt en kunt u gebruikmaken van de Subsidieregeling praktijkleren, kom dan nu in actie. U kunt nog een subsidieaanvraag voor het studiejaar 2015-2016 indienen uiterlijk tot en met 15 september 2016 (17.00 uur).

De Subsidieregeling praktijkleren is bedoeld om praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen te stimuleren. De subsidie geeft een tegemoetkoming voor de kosten die u als werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling. Daarnaast biedt de subsidie een tegemoetkoming in de loon- en begeleidingskosten voor een promovendus of een technologisch ontwerper in opleiding (toio).

U komt niet voor elke leerling die bij u werkt in aanmerking voor de subsidie. De subsidieregeling kent namelijk een aantal doelgroepen en een aantal voorwaarden. Bovendien moet u rekening houden met een aantal administratieve verplichtingen.

Subsidieaanvraag

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voert de subsidieregeling praktijkleren uit. De subsidie geldt per studiejaar en kan na afloop van het studiejaar met een digitaal aanvraagformulier worden aangevraagd. Voor het studiejaar 2015/2016 kunt u nog tot en met uiterlijk 15 september 2016 (vóór 17.00 uur) de subsidie aanvragen.

Tip: Om het digitale aanvraagformulier in te vullen heeft u eHerkenning nodig. Voorkom dat u te laat beschikt over eHerkenning en vraag deze tijdig aan.

The post Subsidieregeling praktijkleren: kom in actie! appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Verlofdagen delen tussen werknemers

Stel uw werknemer wil zijn verlofdagen delen met zijn collega die onverwachts mantelzorg moet verlenen en zelf geen verlofmogelijkheden meer heeft. Mag dit? Het antwoord is ja, maar alleen als u akkoord bent met het delen van verlof.

Als werkgever bepaalt u of het delen van verlofdagen binnen uw organisatie tot de mogelijkheden behoort. U bent zogezegd in ‘charge’. Staat u verlof delen toe, dan moet u rekening houden met de volgende voorwaarden:

  • Alleen bovenwettelijk vakantieverlof kan worden gedeeld.
  • Het delen van verlof kan alleen als andere verlofmogelijkheden, zoals zorgverlof of calamiteitenverlof, niet toereikend zijn.
  • Deelname is altijd vrijwillig.
  • U moet zorgdragen voor gelijke behandeling tussen werknemers.
  • Er moet duidelijk zijn vastgelegd onder welke voorwaarden en in welke situaties verlofdagen mogen worden gedeeld.

Let op! Een manier om verlof delen mogelijk te maken is bijvoorbeeld door het delen van ‘een-uur-voor-een-uur’, ongeacht functie, schaal of loonniveau. Wilt u het verlof delen op een andere manier regelen, dan kunt u dit beter vooraf afstemmen met de Belastingdienst. Het delen kan namelijk gevolgen hebben voor de belastingheffing.

The post Verlofdagen delen tussen werknemers appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Onbelaste vergoeding van dubbele huisvesting

Een onbelaste vergoeding voor dubbele huisvestingskosten is niet expliciet in de wet opgenomen. Wel kunnen de kosten van ‘tijdelijk verblijf’ onbelast vergoed worden als sprake is van:

  • een ambulante werknemer, of
  • een werknemer die een zakelijke reden heeft om (nog) niet bij zijn werk te gaan wonen en heen en weer reist tussen zijn tijdelijke verblijfplaats en zijn werkplek.

Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een tijdelijk project of zolang de werknemer nog in zijn wettelijke proeftijd zit.

Let op! Voor het bepalen of een werknemer ambulant is of niet gelden regels. Neem voor deze beoordeling contact op met onze adviseurs.

Als de vrijstelling voor ‘tijdelijk verblijf’ niet langer kan worden toegepast, vormt de vergoeding loon voor de werknemer, tenzij u ervoor kiest om de tijdelijke verblijfkosten onder te brengen in uw vrije ruimte. In dat geval betaalt u alleen belasting (een eindheffing van 80%) voor zover uw totale vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen hoger zijn dan 1,2% van uw totale fiscale loonsom.

Huisvesting in het buitenland

Verblijft uw werknemer voor zijn werk tijdelijk in het buitenland, dan kunt u de dubbele huisvestingskosten (bijvoorbeeld hotelkosten) onbelast vergoeden.

Huisvesting op de werkplek

Is sprake van huisvesting op de werkplek en moet uw werknemer redelijkerwijs wel gebruikmaken van deze huisvesting, dan is deze huisvesting onbelast. Voorwaarde is wel dat uw werknemer niet op de werkplek woont.

Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij slapen aan boord van een schip of op een boorplatform, de overnachting van een brandweerman op de kazerne of de slaapdiensten in een gezinsvervangend tehuis.

Let op! Hoeft de werknemer niet redelijkerwijs gebruik te maken van de huisvesting of woont de werknemer echt op de werkplek dan is de huisvesting niet onbelast. In dat geval is een normbedrag van € 5,45 per dag belast. In dit normbedrag zijn de kosten van energie, water en bewassing inbegrepen.

Ter beschikking stellen van een woning

Stelt u een woning aan uw werknemer ter beschikking of vergoedt u de kosten van de woning dan is dit loon van de werknemer. Voor de waarde hiervan gaat u uit van de huurwaarde in het economische verkeer, oftewel de huur die zou moeten worden betaald als de woning zou worden verhuurd.

Is sprake van een dienstwoning (het gebruik van de woning is vereist voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking) dan is ook deze terbeschikkingstelling of vergoeding loon voor de werknemer. Denk aan de portierswoning, de woning van de brugwachter of de pastorie. Voor de waarde hiervan gaat u uit van de huurwaarde van de woning in het economische verkeer met een maximum van 18% van het jaarloon van de werknemer bij een 36-urige werkweek.

Let op! Bedraagt de vaste arbeidsduur minder dan 36 uur per week dan moet u het loon herrekenen tot 36 uur.

The post Onbelaste vergoeding van dubbele huisvesting appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Gebruik kentekenfoto’s Belastingdienst ter discussie

Wie de auto van de zaak ook privé gebruikt krijgt te maken met een bijtelling, tenzij men op kalenderjaarbasis met de auto niet meer dan 500 kilometer privé rijdt. Dit kan men aantonen met een sluitende rittenregistratie.

ANPR-camera’s

Bij een controle van deze registratie maakt de Belastingdienst mogelijk gebruik van kentekenfoto’s afkomstig van ANPR-camera’s op openbare wegen. Zo kan de inspecteur checken of de aangegeven locaties op de rittenregistratie overeenkomen met de foto’s gemaakt met ANPR-camera’s.

Recht op privacy

Onlangs heeft advocaat-generaal Niessen een conclusie genomen over het gebruik van dergelijke kentekenfoto’s bij de beoordeling van een rittenregistratie, aangezien dit leidt tot een inbreuk op de privacy. Een dergelijke inbreuk kan alleen als dit wettelijk goed is vastgelegd en het gebruik van ANPR-gegevens voor controledoeleinden ook voldoende kenbaar is en dat is niet het geval. Het is nu afwachten of de Hoge Raad de conclusie van de advocaat-generaal gaat volgen.

The post Gebruik kentekenfoto’s Belastingdienst ter discussie appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.

Btw verschuldigd over aanbetaling bij annulering?

U verricht diensten waarvoor uw afnemers vooraf moeten reserveren, zoals bijvoorbeeld in de horeca een hotelkamer. Uw afnemers doen een aanbetaling die u bij annulering niet terugbetaald krijgt. Bent u over deze aanbetaling dan btw verschuldigd?

Nee, dat bent u niet. In een zaak die ging over aanbetalingen in de hotelbranche heeft het Europese Hof beslist dat een hoteleigenaar geen btw verschuldigd is over de aanbetaling van een hotelreservering op het moment dat sprake is van annulering door de hotelgast. Het betaalde bedrag vormt dan een schadevergoeding, aldus het hof. Hierover is geen btw verschuldigd.

Let op! Dit geldt alleen als van een schadevergoeding gesproken kan worden. Heeft de afnemer de gehele verschuldigde vergoeding al betaald bij reservering en ontvangt hij deze vergoeding niet terug bij annulering? Dan is geen sprake meer van schade en kan het betaalde bedrag ook niet worden aangemerkt als een schadevergoeding. Op dat moment is daarom gewoon btw verschuldigd over de betaling.

Contractuele afspraken

De contractuele afspraken die u maakt, zijn daarom van belang bij de vaststelling of sprake is van een schadevergoeding. In een rechtszaak die was aangespannen door een luchtvaartmaatschappij, werd bijvoorbeeld beslist dat over de betaling bij annulering btw verschuldigd was omdat geen sprake was van een schadevergoeding. De rechter kwam tot deze conclusie onder meer door de volgende contractuele afspraken:

  • Passagiers betaalden vooraf de gehele verschuldigde vergoeding die niet werd terugbetaald bij niet (tijdig) verschijnen op de luchthaven.
  • De luchtvaartmaatschappij hield zich het recht voor om de vliegtuigstoel door te verkopen aan een ander, zonder verplichting tot terugbetaling aan de oorspronkelijke passagier.

Tip: Heeft u te maken met niet terugbetaalde bedragen bij annulering? Overleg dan met onze adviseurs of in uw geval sprake is van een schadevergoeding waarover dus geen btw is verschuldigd.

The post Btw verschuldigd over aanbetaling bij annulering? appeared first on Schagen Lensen & van Krieken accountants.